Is less more?

Het is niet eenvoudig zaken simpel te houden. Op de middelbare school waarop ik zat, kreeg onze klas in het nieuwe schooljaar les van een jonge natuurkundeleraar. Het was zijn eerste aanstelling en hij kón er wat van. Ik bedoel: hij zette zo’n vaart achter de lesstof dat, afgezien van een enkele bolleboos onder ons, bijna een ieder dreigde af te haken.

De beste man had ooit de ambitie een groot basketballer te worden, maar aan zijn droom kwam een eind, toen zijn rechterpink eens bij een onverantwoorde aanvalsbeweging in het mandje bleef haken. Het kleinood wees – dat kon je duidelijk zien, als zijn krijtje formules op het bord toverde – permanent in de verkeerde richting. Het duurde niet lang of iedereen op het schoolplein wist over wie het ging, wanneer de naam ‘Captain Hook’ viel.

Het gebeurde vaak genoeg dat een van ons bekende de les, voor de zoveelste keer, niet te kunnen volgen. De man hield op met schrijven, zijn ogen kregen een venijnige blik en sommigen van ons dachten een trillende beweging in zijn rechterpink te bespeuren. “Ik leg het nog één keer uit, want het is werkelijk héél simpel…” schalde het door het lokaal.

Nu was ikzelf een rustig knaapje, maar de jongen naast mij in de schoolbank blonk uit in stilte. Jan – ik noem hem voor het gemak Jan – kon goed tekenen en wanneer de les hem niet boeide, maakte hij schetsen in zijn schrift. Na het horen van “ik leg het nog één keer uit, want het is werkelijk héél simpel…” dook hij meteen op zijn papier. Het bleef niet bij schetsen alléén.

De laatste les nam onze docent afscheid van ons (hij mocht het op een andere school proberen) en Jan, ja Jan!, nam het woord. “Meneer, weet u hoe vaak u heeft gezegd: ‘Het is werkelijk héél simpel…’? Gemiddeld vijf keer per les. Dat is in totaal op drie lessen per week en 40 schoolweken zeker 600 maal.” De rechterpink trilde heftig en ik weet niet of dat kwam door verbazing over de inhoud van het gesprokene of over het onbekende stemgeluid. Jan hield voor allen duidelijk zichtbaar zijn schrift met statistieken in de lucht.

Kun je het simpel houden in de jazz? Akkoordenschema’s, progressies en substituties nodigen uit to complexiteit. De meeste nummers vergen nogal wat van de muzikant. Zelf ben ik sterk voorstander van het in het oog houden van de grote lijnen en simplificatie van de tunes. Waarom zijn er bij mijn weten zo weinig kinderliedjes in de jazz?

Neem het volgende, overbekende motiefje:

…en zet het om in een jazzy deun, een eigen brouwsel:

↑ Kinderliedje op een A-A-B-A schema van 32 maten rhythm changes.

Less = more moet Yuri Honing hebben gedacht. Als er een saxofonist in den lande rondloopt die het uitkleden van muziek tot in de puntjes beheerst, is hij het wel. In een aflevering van DWDD legt hij uit hoe Sonny Rollins hem inspireerde tot de studie van lange noten. Lange noten, meer niet. “Hallucination!” Rollins deed dat onder de Williamsburg Bridge in New York.


↑ DWDD van 16 april 2017 over Sonny Rollins.

Yuri’s noeste studie komt duidelijk in zijn werk met zijn Acoustic Quartet tot uiting. Let wel: vals aanzetten van de lange noten gebeurt met opzet… Wanneer bijna aan het einde een stilte valt, is het stuk nog niet afgelopen. Er is nog lucht over voor een paar laatste lange noten.


↑ Yuri Honing Acoustic Quartet speelt ‘Desire’ (Desire, 2015).

(Om de volgende nummers te beluisteren moet je Spotify op je device hebben.)

Eenvoud kan ook worden gezocht in basale motiefjes (zie boven). Altsaxofonist Maarten Hogenhuis laat horen hoe je met een ostinaat riffje iets moois kunt neerzetten. De bassist blijft het motiefje doorspelen, wanneer uit de sax in het B’tje alleen lange noten komen.


↑ Maarten Hogenhuis Trio speelt ‘Coko’ (Mimicry, 2017).

Van Herman ben ik geen fan, maar wat Benjamin af en toe laat horen, is toch wel fraai. Ik weet niet of hij onder een brug lange tonen heeft staan oefenen, maar het heeft er wel iets weg van. Je zou denken dat zo’n titel als van het nummer hieronder alleen een Hollandse oorsprong kan hebben. Het stuk is echter het werk van een respectabel tweetal: Norman Gimbel (tekst) en Henry Mancini (muziek), ja die van de Pink Panther…


↑ Benjamin Herman & Daniël von Piekartz spelen ‘A Slow Hot Wind’ (Trouble, 2014).

Een warme nazomerse dag, de wind zwoel, kondigt zich aan. Ik denk dat ik m’n tenor sax in de koffer stop en hem weer uitpak onder de brug bij het kanaal achter ons huis. Lange A’s en B’s wil ik over het wateroppervlak laten uitdijen. Ik ga door tot m’n vingers er krom van gaan staan.

Addendum: mijn versie van “Kortjakje” (pdf) …

Twinkle_Twinkle_(Little_Star)

Goeroe

Staat een mens op bijzondere ontmoetingen in zijn leven te wachten? Ikzelf ontwijk levensbedreigende situaties zo veel mogelijk. De kans dat slechterikken je weg kruisen, is mijns inziens groter dan dat een beschermengel op je schouder plaatsneemt.

Toch… de gedachte dat je in het nauwste straatje van je woonplaats een goeroe tegen het lijf loopt die je letterlijk op sleeptouw neemt en haarfijn uitlegt hoe je saxofoonspel nóg beter te maken… zo’n gedachte houdt mij al langer bezig. In een onbedachtzaam ogenblik sla ik de Jan Muldersgang in en de schaduw die ik aan het eind ervan bespeur, blijkt die van, laten we zeggen, Hans Dulfer te zijn (een ongelukkig voorbeeld, ik weet het, maar het is slechts een voorbeeld.)

In het steegje is het aardedonker en ik herken de grootmeester niet. Het lukt me niet hem ongemerkt te passeren, want hij houdt mij staande en stelt me vragen als: “Waar kun je in dit dorp een halve rookworst kopen? Of ondergoed en iTunes-kadobonnen?” Dat kan alleen bij de HEMA zijn, dat weet iedereen. “En waar koop je de perfecte solo?” Hier stamel ik wat, waarop de meester zich voorstelt en me meeneemt voor de ultieme les in jazzimprovisaties.

Het bovenstaande is geen nieuw verhaal. Zoiets valt al te lezen bij Diogenes Laërtius, die in zijn geschiedwerk over filosofen (boek 2, hfdst. 6, par. 48) vertelt over Xenofon, zelf ‘een buitengewoon knappe verschijning’ (εὐειδέστατος εἰς ὑπερβόλην), die filosoof Sokrates tegen het lijf liep in een nauwe steeg. In de duisternis zag hij niet hoe lelijk de man was, maar voelde wel hoe deze hem met zijn wandelstok de doorgang versperde. Op de vraag waar producten van het land gekocht konden worden, wist hij natuurlijk het antwoord: op de markt. “En waar leer je een goed mens te zijn?” Nee, dat wist hij niet en volgde voortaan lessen bij de filosoof.


Sokrates (Museo Capitolino, Rome) en Xenofon (Nationaal Museum, Alexandrië).

Bij gebrek aan beter heb ik regelmatig zoektochten op YouTube gehouden in de hoop het ultieme antwoord op mijn vraag te krijgen: hoe word ik een begenadigd tenorsaxofonist? Het hoeven geen uren lange clinics te zijn die mij verder helpen, ook een korte overdenking kan nuttig zijn. Bob Mintzer benadrukt (bijv. hier en hier) het voldoen aan minimale eisen als het hebben van een goede toon, ademsteun, techniek (embouchure én vingers) en frasering.

Met Chris Potter wordt het een lange zit, waarin je hem voornamelijk wonderschoon hoort spelen. Acht minuten van het college zijn al voorbij, voordat hij tot het ontvouwen van theorieën komt. Met zijn woorden komt hij feitelijk niet verder dan de dooddoener dat het bij jazz spelen erom gaat je gedachten te ordenen en hiermee expressief te zijn.

Heleboel instructiefilmpjes reiken niet verder dan een tip of een truc. Het onder de knie krijgen (als saxofonist moet je dit niet letterlijk nemen) van altissimo’s is een gewild thema. Voor een buitenstaander zal dit soort instructie als niet aan te horen gepiep en geknor klinken. Riffje van Sirvalorsax: “Zero, one, zero, one, two, one, one, two, one, two, split, two – piece of cake, man!” Duidelijk.        

De Sax Boutique (niet de Sex Shop, grapje van Derek Brown, zie hieronder) in Moskou nodigt regelmatig gevestigd en aanstormend talent uit voor een masterclass. Je hoort hoe je helden voor een bescheiden publiek zonder versterking écht goed kunnen spelen. Als je geluk hebt, betrap je ze op een zinnige mededeling. De drie afleveringen die ik hier aanhaal, starten ergens middenin, maar het is de moeite waard de hele opname tot je door te laten dringen.

James Carter speelt krijsend op zijn Lawtonmondstuk (nr. 11 *BB!!!) en haalt een geintje uit met de presentator om je te leren niet afhankelijk te zijn van bladmuziek. “You have to come back to human qualities.”


James Carter in Mariachi Sax Boutique (31 januari 2012).

Derek Brown heeft een niche ontdekt in de jazz en speelt niet anders dan beatboxing op zijn sax. Met de ringen op zijn duimen geeft hij bovendien zijn sax een pak slaag, waar mijn reparateur likkebaardend naar uit zal kijken. Hij doet denken aan de straatgitarist met mondharmonica om de hals en trommel op de rug met een touwtje vast aan zijn voet. Zijn optreden is hoogst vermakelijk en bereikt een toppunt, wanneer hij laat weten jaloers te zijn op instrumenten die harmoniërend zijn. Dat is waar, op de sax speel je maar één noot tegelijk.


Derek Brown in Mariachi Sax Boutique (9 maart 2017).

Bill Evans (1958), niet de pianist, trad op 22-jarige leeftijd toe tot de band van Miles Davis. Mijn verwijzing naar zijn masterclass wil niet zeggen dat ik gecharmeerd van zijn stijl van spelen ben, verre van dat. Het zijn zijn uitspraken die mij wat doen. Een selectie:
– learn to play bebop
– who can play bebop, can play anything
– play frases that make sense
– say something
– sax is supposed to be fun, not work
– you don’t want to work too hard on your mouthpiece


Bill Evans in Mariachi Sax Boutique (juli 2012).

Bijzonder productief met instructiefilmpjes (betaald en niet betaald) is Bob Reynolds (sinds een tijdje grammy award winnaar als bandlid van Snarky Puppy). Ze zijn alom tegenwoordig op YT. De lezer kan ze zelf nazoeken. Ik laat het bij een fraai staaltje solo-spel…


Bob Reynolds speelt in zijn home studio ‘How High The Moon’.

En hoe zit het met die goeroe? Nog niet ontmoet.

Uit het hoofd

Op een ochtend ging bij ons de telefoon over. Moeder aan de lijn. “Waarom bel jij mij niet?” Was er dan reden toe? Nu verliepen gesprekken met moeder over het telefoontoestel doorgaans vlotter dan in het echt, maar dit keer was het anders. “Ik zit op een bedankje te wachten.” Zij klonk oprecht kwaad. Bedankje, waarvoor?, waagde ik nog te vragen. “Voor de 400 euro in de envelop in de brievenbus.”

Zij had naar eigen zeggen een zeldzaam gulle bui, maar ons niet thuis aangetroffen en de gift in de brievenbus gestopt. Laat nu die gift onvindbaar zijn. Alles wat de afgelopen dagen aan papier het huis inkwam, werd doorgespit, maar een envelop? We zagen het voorval als een eerste teken van ernstig geheugenverlies bij moeder. Wie de gelukkige is die de envelop wél heeft ontvangen, is nooit duidelijk geworden.


↑ Waar zijn die € 400 in vredesnaam gebleven? (foto: Archiv Hochmuth).

Dat het menselijk geheugen een kostbaar goed is, was al in de klassieke oudheid voorwerp van discussie. Filosoof Plato vertelt (Phaedrus 274c e.v.) over de uitvinding van het schrift en de angst voor negatieve bijwerkingen: kennis van het schrift zou tot blindelings vertrouwen op het geschrevene leiden en ons geheugen lui maken. Een sterk argument in een tijd waarin literatuur en wetenschap op orale traditie berusten.

Filosoof-redenaar Cicero heeft het over ars memoriae, ‘geheugenkunst’, en maakt onderscheid tussen aangeboren en kunstmatig geheugen, door training verkregen:

Sunt igitur duae memoriae, una naturalis, altera artificiosa. Naturalis est ea quae nostris animis insita est et simul cum cogitatione nata. Artificiosa est ea quam confirmat inductio quaedam et ratio praeceptionis.
‘Je hebt nu twee soorten geheugen, een dat aangeboren en een dat kunstmatig is. Wat aangeboren is, is inherent aan ons wezen en samen met het denkvermogen ontstaan. Wat kunstmatig is, wordt bepaald door toepassing en verstandelijk inzicht.’
(Rhetorica ad Herennium 16.28)

We gaan een stapje verder, want volgens mij kun je het geheugen in drie categorieën onderverdelen: auditief, motorisch, visueel. Het auditieve geheugen spreekt voor zich. Je hoort een song en onthoudt die. Sommige mensen zijn daar vreselijk goed in.

Het motorisch geheugen valt niet te onderschatten. Je oefent door je vingertoppen op de juiste momenten en met de juiste snelheid en druk op de kleppen van je sax te laten neerdalen. Dit doe je eerst héél langzaam en je voert het tempo steeds meer op, totdat je de bewegingen letterlijk in de vingers hebt. Je spieren herinneren zich de verplaatsingen, die je op het laatst blindelings doet dankzij muscle memory.


↑ Muscle memory in beeld gebracht (bron: londonskaters.com).

Zijn er musici die het notenbeeld visueel in zich opnemen en zo houvast aan de compositie hebben? Aan het visuele aspect in de muziek geef ik mijn eigen draai. Het zijn vooral de improvisaties die ik ‘visualiseer’: ik soleer bij ‘Let’s Get Lost’ met in mijn gedachten een ritje op een Lambretta… Eigenlijk is dit toch geen vorm van geheugentraining.

Het visuele geheugen kreeg van filosoof Giulio Camillo (1480-1544) bijzondere aandacht. Hij bedacht een rariteitenkabinet dat hij zijn ‘idea del theatro’ noemde. Het schijnt dat hij in 1532 hierover correspondentie heeft gevoerd met Erasmus. In dit theater sta je op het toneel en kijk je de zaal in, waar aan elke gedachte op de rangen een eigen plek is toegewezen. Een vroege vorm van mind mapping? Onthouden is letterlijk een plaats in je hersenen geven. Voor dit geheugentheater (een mini-exemplaar waar je echt in kon kruipen – en dan bedoel ik niet dit mislukte kunstwerk) heeft hij zijn leven lang naar geldschieters gezocht.


↑ Giulio Camillo’s l’Idea del Theatro, postuum uitgebracht in 1550.

Het geheugen speelt in de muziekpraktijk een prominente rol. Ik ken geen symfonieorkest dat niet van blad leest. Solisten en kleinere gezelschappen zie je daarentegen vaak uit het hoofd spelen. Waar het de jazz betreft, lees ik regelmatig gedachtewisselingen over spelen van papier of uit het hoofd. Je hebt mensen die musici die spelen met het Realbook op de standaard, tot een mindere categorie rekenen.

Zelf worstel ik met de kwestie. Hoe leer ik mijn repertoire uit het hoofd te spelen? Sommige stukken vallen meteen op hun plaats, andere willen maar niet. Adviezen genoeg op het IN overigens. Daaruit destilleer ik het volgende: bij een nieuw in te studeren stuk bestudeer je (1) de vorm, (2) de harmonieën, (3) de melodie alleen op toonhoogtes en ten laatste (4) de melodie, nu ritmisch beschouwd. Als hulpmiddel gebruik ikzelf iReal Pro met alleen een bas op de achtergrond en de metronoom in de afterbeat.

↑ Bas + metronoom (tempo 160): ‘But Not For Me’ (George Gershwin) in F.

Verder doe ik aan ‘chunking’, het opknippen van de melodie in in het oog springende porties, en ‘scotch-taping’ door kleine delen te memoriseren en die stukje bij beetje uit te breiden door er andere aan te plakken. Het uiteindelijke doel is van het blad los te komen. Immers, een lead sheet is een cheat sheet.

Heeft Plato zijn gelijk gekregen? In den beginne hadden wij om muziek te maken enkel ons geheugen dat verzwakt werd door de uitvinding van het schrift, en nu wij in het tijdperk leven van de arrogantie van schijnkennis, dienen wij het (noten)schrift achter ons te laten, omdat ons spel versterkt moet worden door geheugentraining!

Het kan nog een stapje verder. Als ik de berichten die hierover circuleren, moet geloven, ben ik een muzikale dwerg, omdat ik het ‘transcriben’ niet beheers. Er lopen jazzmusici rond die transcriptions bijkans heilig verklaren en de soli van hun idolen uit het hoofd naspelen. Maar wat win je ermee, als je je doel voorbijschiet en geen voor jezelf bruikbaar idioom creëert? Eindeloos transcriberen komt neer op kloneren en is op den duur niet creatief.


↑ Lucia Sarmiento speelt Michael Breckers solo uit ‘Slang’ (Out Of The Loop, 1994) na.

Op Jazz Advice kun je lezen hoezeer er misvattingen over transcribing bestaan. Hun motto: don’t memorize, play what you hear! Ongelofelijk werk van de dame hierboven? Bekijk dan wat Eli Bennett doet met Chris Potters solo in ‘All The Things You Are’. Een beetje ziek vind ik het wel.

Tot slot enkele voorbeelden uit de praktijk die de kracht van het (muzikale) geheugen illustreren. Pianiste João Peres neemt de verkeerde partituur mee en speelt na aanmoedigende woorden van dirigent Riccardo Chailly Mozarts pianoconcert in D klein foutloos uit het hoofd.


↑ João Peres speelt Mozarts pianoconcert in Dm (lunchconcert Concertgebouw, Amsterdam 1999).

In het onderstaande krijgt Pim Jacobs les van Wes Montgomery. Ruud Jacobs tokkelt wat mee op z’n bas; Han Bennink kijkt toe, leunend op z’n snare drum. Ze starten een tune en Wes zegt dingen als ‘b-flat’, ‘f minor’ en ‘whole step’ en even later zijn ze er. Alles uit het hoofd…


↑ Wes  Montgomery – let op zijn spel met de duim – repeteert met Pim Jacobs (1965).

Vooruit dan maar, nog een keer ‘But Not For Me’, maar nu in mijn versie, alleen – zie muziekfragment hierboven – met bas en vaag op de achtergrond een metronoom…

…en op naar die gig van € 400!