Asociaal

Nog voordat ik ook maar enig benul had van noten en akkoordenschema’s, pakte ik als puber het tennisracket van mijn moeder en gebruikte dat als gitaar. ‘All Day and All of the Night’ (The Kinks, 1964) werd door mij rauw vertolkt. Ik had geen toehoorders, maar was mijn tijd ver vooruit, want jaren later werden er wereldkampioenschappen ‘luchtgitaarspelen’ gehouden. Inmiddels was ik met mijn hobby opgehouden.

Gitaarspelen en vlammende solo’s, na het maken van het huiswerk was dat het doel voor de rest van de dag. Alleen… die gitaar kwam er nooit. Muziek bleek een passieve beleving en ik bleef in jaloezie achter bij het horen van bijvoorbeeld Jimi Hendrix’ ‘Dolly Dagger’ (Rainbow Bridge, 1971, postuum). ‘Been riding broomsticks since she was fifteen’ – geniale geest en complexe muziek moesten hier samengaan. Niets daarvan. Jimi was zonder twijfel een geniale gitarist, maar hier soleert hij over amper vier akkoorden.

(Voor het beluisteren van het onderstaande fragment moet je Spotify op je device hebben.)

In mijn studententijd sloot ik mij aan bij de Stef Meilink Big Band en het grote soleren kon beginnen! Toen op altsax. Nu ik er over nadenk is het spelen van solo’s natuurlijk iets tegennatuurlijks, als je in een band zit en er van je verwacht wordt dat je met elkaar samen speelt. Het is zelfs een beetje asociaal en wie een chorus ‘erbij snoept’ is in mijn ogen nog asocialer. Soit. Het spelen van een solo is iets prachtigs en beslist een bekroning van de inventieve geest. De anderen moeten maar even inschikken.

bolusje009

↑ ‘Bolusje in de herfstzon’ van Stef Meilink, Eb-partij.

Het was met genoemde band dat ik mijn mooiste solo tot dan toe speelde. Een warme lentedag gaf het sein voor een straatfestival, overal hoorde je muziek. Er liep ook een cameraploeg rond. Nu waren de solo’s in SMBB strak verdeeld en ik had niet de eer die in ‘Een bolusje in de herfstzon’ (Stef verzon intrigerende titels voor zijn stukken) te mogen spelen, want dat deed de trompettist al. Laat de beste kerel die dag ziek zijn en ik, die mijn lievelingsstuk in 6/8 thuis elke dag oefende, zijn part mogen overnemen! Voor de lens van de cameraman speelde ik de sterren van de hemel. Verderop die dag bleken de opnamen van dat moment mislukt te zijn. Asociaal.

↑ Mijn versie in 4/4 van ‘Bolusje in de herfstzon’.

Er zijn genoeg sites die tips geven over hoe een solo aan te pakken. Kort gezegd kan uit het volgende worden gekozen: je volgt de hoofdlijnen van de melodie óf je interpreteert de melodie aan de hand van het akkoordenschema óf je gaat je eigen weg. Het eerste is flauw, het tweede creatief, het derde onbegrijpelijk. Dit zijn van mijn kant geen esthetische oordelen, want wat onbegrijpelijk is kan heel mooi klinken.

Mocht de lezer denken dat solo’s voor het eerst werden gespeeld, toen de jazz uit haar wieg kroop: musicologen hebben gewezen op Johann Sebastian Bachs vijfde Brandenburgs concert (in D-dur, BWV 1050) uit 1721 (misschien eerder), waar in het eerste deel (allegro) na ongeveer zes minuten spel de toetsenist (in de tijd van Bach de clavecimbelist) 64 maten de ruimte krijgt om alléén te spelen. Het gaat wel om een uitgeschreven solo, maar misschien is dat wel des te knapper. Vierenzestig maten vol 16de noten, dat zijn vier volle choruses!

brandenburgsconcert5beginclavsolo
↑ Begin clavecimbelsolo Brandenburgs Concert nr. 5: “Cembalo solo senza stromenti”.

De opnames van Glenn Gould had ik graag willen laten horen, alleen al vanwege de jazzy feel die uit zijn vingers stroomt, maar die zijn niet al te best, de opnames wel te verstaan. Dan maar een andere…

↑ Eerste maten van Bachs solo in de privé uitvoering van Vincent Lonjon.

Soleren is een kunst apart en een solo kan ook op een deceptie uitdraaien. Neem nou de gitaarsolo op ‘Billie Jean’ van Michael Jackson (Thriller, 1982). Het komt van een album waarvan de arrangementen uit de pen vloeiden van Quincy Jones en het moet gezegd: de combinatie van synthesizer en strijkorkest is verrassend. De gitarist krijgt acht maten de tijd iets neer te zetten, maar een echte solo wordt het niet, want Michael had deze maten nodig om zijn ‘moon walk’ te doen en een kunstige solo zou alle aandacht van hem afleiden. Muzikaal gezien zijn het in ieder geval passen achterwaarts…

↑ Gitaarsolo ‘Billie Jean’ vanaf 3:28 min.; de eerste ‘moon walk’ telt drie en een halve stap, in latere versies kwam Michael tot zeven stappen.

In de eenvoud toont zich de meester. Miles Davis’ ‘Bag’s Groove’, ‘Freddy Freeloader’ en ‘So What’ komen met elkaar overeen door hun simpele thema’s en de ogenschijnlijke eenvoudige solo’s van de meester. Zelf probeer ik mijn solo’s niet op te bouwen door al te nadrukkelijk de grondtonen te spelen, liever zoek ik de tertsen, maar vooral kwinten en septiemen in de akkoorden op en pas die toe op mijn solo’s.
sowhat16matensolokopie

↑ Eerste zestien maten van Miles Davis’ solo in ‘So What’ (Kind of Blue, 1959); het stuk is een voorbeeld van modale jazz en kent slechts twee akkoorden, de Dm (in de A-tjes) en een Ebm (in het B-tje).

Maar hoe pakt Miles het aan? Rustig en zelfs op de tel spelend blaast hij (ik heb het even uitgeteld voor de eerste twee choruses in Dm) 19 x een D, 12 x een A en 6 x een F. Opvallend is 2 x E in maat 14, alsof er een Dm9-akkoord wordt gespeeld. In hoofdzaak laat Miles dus de drieklank van het begeleidingsakkoord horen. Waarom speel ik nog al die septiemen, als Miles maar vier keer een C ertegen aangooit?

Miles Davis werd overigens direct na het uitbrengen van Kind of Blue gevraagd om met het orkest van Gil Evans voor de televisie zijn novum te laten horen. Die uitzending dateert van 2 april 1959. Het verbaast mij wel hoe ernstig musici kunnen kijken bij niet meer dan twee akkoorden. Let trouwens op wat Miles doet, wanneer John Coltrane zijn beurt krijgt om asociaal te doen (solo dus): in die dagen kan er in een studio nog gerookt worden en Miles steekt ongeïnteresseerd een sigaret op. Ook asociaal.



↑ Miles Davis kwintet speelt ‘So What’ in het Robert Herridge Theatre.

(Voor het beluisteren van het onderstaande fragment moet je Spotify op je device hebben.)

Voor wie genoeg heeft van de zoveelste keer Miles Davis en ‘So What’ heb ik de versie van Ron Carter opgedoken van zijn album Spanish Blue (1975). De solo op dwarsfluit wordt gespeeld door Hubert Laws.

Na al dit leesvoer denk ik dat ik dadelijk Charlie Parkers ‘Au Privave’ ga instuderen met in hoofdzaak alleen de noten F, A en C…

2 reacties op “Asociaal

    1. 1964, ik had pas mijn eerste camera gekregen, een Agfa Silette F. Dat was niet het tijdperk van de selfies en m’n moeder mocht niet weten dat haar tennisracket tijdelijk zoek was. Maar geloof me, ik zag eruit als Keith met de kaken van Johan.

Geef een persoonlijke reactie