Met gepaste stilte

Als student nam ik deel aan een faculteitsuitje, een studiereis naar Rome, onder begeleiding van drie professoren. Twee memorabele weken eindigden in een vroege uitcheck van het hotel en de bagage vond een tijdelijk onderkomen in een kamer waar een reusachtig tweepersoonsbed stond. Een van de professoren voelde de sfeer goed aan, want onze verveling vroeg om actie. ‘Ik ga jullie laten zien hoe een lijk eruit ziet, als het op de baar ligt.’ Het werd een van de aangrijpendste tableaus vivants die ik ooit heb bijgewoond.

Ja, sterven doen we allemaal eens. Ik speelde in die tijd nog geen sax, maar luisterde intensief naar jazz. Ik zag daar mijn prof liggen (hij doceerde filosofie) en het schoot mij meteen door het hoofd: gaat muziek dood? ‘After the music is over, it is all gone in the air. You can never capture it again.’ Het zijn de slotwoorden van Eric Dolphy op zijn laatste plaatopname (Last Date, 1964, gemaakt in Hilversum). Een mooie boutade.

Mijn zorgen betreffen metname de jazz. Is die aan zijn eind of doemt er een nieuwe toekomst? Een citaat dat vaak langskomt, is dat van Frank Zappa: ‘Jazz is not dead, it just smells funny.’ Ik heb het nagezocht. Het is te beluisteren op ‘Be-bop Tango’ (Roxy And Elsewhere, 1974). Hij laat Bruce Fowler een rare solo op de trombone spelen en toetsenist George Duke mag een paar snelle lettergrepen de microfoon inblaten.

↑ Frank Zappa’s beroemde woorden in ‘Be-bop Tango’ vanaf 6:10 min., tijdens het concert begin december 1973, Los Angeles. Als je goed luistert, hoor je George Duke aan het begin een paar noten van Thelonious Monks ‘Straight No Chaser’ spelen.

In het werk van J. Bernlef (=Hendrik Jan Marsman, 1937-2012) lezen we vele opmerkingen over de jazz. Ergens zegt hij, opmerkzaam als hij is, dat jazz de enige Amerikaanse kunstvorm is die niet is afgekeken van een Europees voorbeeld. Bernlef was een liefhebber van vooral de klassieke jazz. Zijn oordeel over de toekomst ervan is macaber. Die is er niet. Hij heeft in zijn bundel Haalt jazz de 21ste eeuw? (Singel, 1999) elf essays aan het onderwerp gewijd. Het einde is wat hem betreft in zicht: dove hoogbejaarden laten in een buurthuis aan elkaar hun collectie jazzplaten horen.

Vroeger, dat wil zeggen vóór de jaren ’60 van de vorige eeuw, had de jazz minder concurrentie van andere muziekgenres. Jazz lift mee op de popularisering van het medium radio en die van de platenspeler. Waar jazz in het begin zacht en melodieus was, werd die met de be-bop supersnel en voor velen niet te volgen. Er zat geen ‘catchy’ melodie bij. Jazz werd ook een attractie op het podium. Waar vroeger op die muziek werd gedanst, kon dat niet meer. De deuntjes werden er niet eenvoudiger op. Jazz wordt kortom esoterisch. Het dieptepunt: Miles Davis keert het publiek zijn rug toe onder het spelen.

Misschien aardig om te weten: de allereerste radiouitzending in Nederland werd op 6 november 1919 verzorgd door Hanso Idzerda, Neerlands radiopionier van het eerste uur, vanuit een pand aan de Beukstraat in Den Haag (bron: Klomp & Melzer, Boy Edgar: het dubbelleven van een alleskunner, 2015). Op 28 mei 1923 zond zijn zender NRI (‘Nederlandse Radio Industrie’) een sessie van de Haagse Jazz Devils (een afsplitsing van ‘The Original Jazz Syncopators’) live uit, de eerste keer dat er ‘jazz’ in Nederland via de publieke omroep te horen was.

Economisch is jazz stukken minder interessant dan pop, rock en al het aanverwante. Het is onderhand de minst beluisterde vorm van muziek. De statistieken leren bovendien dat steeds meer mensen oude albums kopen, steeds minder mensen nieuwe albums. Tot de top tien van best verkochte jazzalbums behoren ‘Kind of Blue’ (Miles Davis, 1959), ‘Time Out’ (Dave Brubeck Quartet, 1959, die met ‘Take Five’), ‘A Love Supreme’ (John Coltrane, 1965) en ‘Saxophone Colossus’ (Sonny Rollins, 1956). Jazz heeft het boekhoudkundig afgelegd tegen andere genres.

Een van de meest sombere webpagina’s over het lot van de jazz is die van Nicholas Payton. Het is geen jazz meer wat deze trompettist speelt, maar ‘Postmodern New Orleans Music’. Jazz is naar zijn eigen zeggen een vorm van necrofilie. Jazz bestond in de jaren 1916-1959. Als je doorscrolt, lees je verstandigere dingen. ‘When you’re truly creating you don’t have time to think about what to call it.’ Muziek zijn de momenten tussen de stilte door. ‘I just move blocks of silence around.’ Horen wij hier John Cage?

Maar wat speelt hij anders dan jazz in bijv. zijn ‘Q for Quincy Jones’?
(Voor het beluisteren van het onderstaande nummer moet je Spotify op je device hebben.)

Valt er een tien-jaarscyclus te ontdekken van nieuwe takken aan de jazzstruik: New Orleans, dixie, swing, be-bop, cool jazz, hard bop, funk jazz, soul jazz, west coast jazz, neo-bop, NU jazz, smooth jazz en afgeleiden als jazz dance, bopfunk, swingbeat enz.? Of wacht ons het lot van de trombonist hieronder? Het is in ieder geval mijn tip aan onze boeren die onder Europese regels gebukt gaan en meer plezier aan hun vak willen beleven.



↑ De arbeidsvreugde van farmer Derek Klingenberg.

Voorlopig sta ik er nog positief in. Ik geef drie voorbeelden van nog springlevende jazz. Ik houd het bij bassisten en dat zijn niet Charles Mingus, Stanley Clarke of Christian McBride…



↑ Korte docu over de Nederlander Joris Teepe, een linkshandige contrabassist.



↑ Adam Ben Ezra soleert en gebruikt zijn bas ook als slaginstrument.



↑ Victor Wooten probeert in de winkel een bas uit (not embedded).

Geef een persoonlijke reactie