Vingers

Tijdens het spelen heb je met je blaasinstrument contact met je mond en met je vingers. Over het tweede gaan wij het hebben. Het gebruik van je vingers op de saxofoon vergt bij de studie veel aandacht.

De wijze waarop je de kleppen indrukt en loslaat, bepaalt welke (hoogte van de) toon je voortbrengt. Dit spreekt voor zich. Laagste noot is de Bb (concert Ab); hoogste noot is de hoge F (of F ‘3). Moderne saxofoons zijn voorzien van een hoge F#-klep, onderin te bedienen met de rechterhand. Op oudere en misschien meer gewilde saxofoons (King, Martin, Selmer Mark VI) moet je met een hulpgreep de hoge F# blazen.

Het kan zijn dat deze instrumenten lekkerder klinken, omdat er een boring en een as minder op de romp zijn aangebracht. Zelf gebruik ik de hoge F#-klep (ik speel op een modern instrument) nooit en heb de toets met een kurkje geblokkeerd; bij vergissing indrukken levert dan geen lekkende klank op. Bijkomend voordeel bij het toepassen van de hulpgreep is dat de overgang naar de hoge G vloeiender wordt.

De noten voorbij de hoge F worden altissimo’s genoemd. Die zijn bijna niet zuiver te krijgen en goede saxofonisten zijn o.a. aan hun spel in het altissimo bereik te onderscheiden. Ik ben ooit begonnen op dwarsfluit en dat heeft mij een beetje geholpen met de grepen voor de altissimo’s. Die grepen namelijk zijn in het vierde register niet logisch en het kost in het begin heel veel tijd ze door te krijgen. Bovendien kan de vingerzetting per instrument verschillen. Op het IN circuleren diverse zgn. fingering charts.

Berucht is de hoge G (G ‘3 dus). Altissimo A, Bb, B en C zijn snel onder de knie te krijgen, de G# wat minder. Maar de altissimo G spant de kroon. Iemand deed het mij voor hoe die aan te leren: front-F-toets en rechterhand Bb-toets tegelijkertijd indrukken (de standaard greep voor altissimo G). Groot is de kans (met de juiste stand van tong en strottehoofd, dat wel) dat er een altissimo C uit komt. Nu aanhouden en met je embouchure en keel de toon laten zakken. Als het je meezit, heb je de altissimo G (soort van) een paar dagen later in de vingers.

↑ Intro (fragment) van Caravan door Joshua Redman (North Sea Jazzfestival 1994); thema gespeeld in altissimo’s.

De manier waarop je vingers de kleppen bedienen, bepaalt ook de snelheid van je spel. De valkuil is nu om als beginner lekker vlot te spelen en met die vingers wild te keer te gaan. Fout! En dat om twee redenen. Ten eerste moet je alles langzaam instuderen, zodat je vingers weten waar, wanneer en hoe lang zij op het instrument moeten ‘landen’. Snel vingerwerk verdoezelt matig spel, wat misschien juist de bedoeling is. Het wordt er echter niet beter van.

Ten tweede beïnvloedt het wilde vingerwerk de accuratesse, maar vooral de snelheid waarmee je speelt. Wild vingerwerk lijkt snel, maar is dat niet. Een goede saxofonist herken je aan de relatief geringe bewegingen van de vingers. Vooral de vingers van de linkerhand hebben snel de neiging bij de handpalmtoetsen (D ‘3 en hoger) alle kanten op te vliegen. Rustig gebruik ervan vereist vele oefeningen.



↑ Dexter Gordon was onberispelijk in zijn vingerzetting; let bijv. op de minieme bewegingen van zijn linkerhand in Night in Tunesia (1964; muziek start vanaf min. 1:58).

Zelf sta ik voor een spiegel (dit is zéér aan te bevelen, het helpt je in alle opzichten je houding, stand van je mond enz. te verbeteren) en let op wat mijn linkerhand doet. Een mooi moment om de ijdelheid te dienen.

Workout met Hank

Het was in mijn studententijd not-done om andere tenor saxofonisten te adoreren dan John Coltrane. Het leek wel of iedereen Blue Trane speelde. Het scheelde niet veel of een beetje saxofonist had een metalen Otto Link 5* met riet van tenminste sterkte 4 (zwaar op licht), alleen maar om Trane’s sound te benaderen.

Wel eens naar Coltrane’s solo geluisterd op So What (Miles Davis, Kind of Blue, 1959)? De noten zijn te haastig gespeeld, de lage komen er halfjes uit, altissimo’s worden niet voor de 100 % gehaald. Een paar chorussen verder komt Cannonball Adderley met zijn solo: hij vermorzelt Trane. Ik weet niet wat het is – anderen mogen het met mij oneens zijn – , maar hoe vaker ik naar Coltrane luister, hoe slechter ik hem vind.

Er was in de jaren dat Coltrane furore maakte (eind ’50 – begin ’60) één persoon die daar bijzonder veel last van had: Hank Mobley (1930-1986). Ik heb een zwak voor talenten die ondanks zwakke gezondheid zich opwerken tot fabelachtig niveau. Dat geldt voor Mobley, volgens zeggen vroeg begonnen op een sax die hij van een oom kreeg om hem uit zijn verveling te helpen.

Luister naar This I Dig of You (je moet Spotify op je device hebben) en je zult daarna begrijpen dat Mobley Coltrane ver achter zich laat (en ondergewaardeerd werd):

Coltrane maakte faam en Hank kon het schudden. Hij mocht eens toetreden tot de band van Miles Davis, maar pas nadat Coltrane daaruit was gestapt. Dat was in 1961 en Mobley’s sound was op z’n best eind jaren ’50.

Een van de eerste cd’s die ik kocht was zijn Soul Station (1960) en ik vond het op dat moment ‘gewoontjes’. Ik was verpest door de Coltrane-dictatuur. Pas toen ik zelf tenor sax ging spelen en zijn solo’s probeerde na te spelen, werd mij duidelijk waarom hij anders, beter was dan Trane: zijn vermogen om melodische solo’s te spelen die perfect de harmonie van een song weerspiegelen, alles zonder flauw of saai te worden.

Voorzover mij bekend heeft Mobley zich nooit laten verleiden om op een metalen mondstuk te spelen, maar ik kan mij vergissen. Verder heb ik hem nooit op altissimo’s kunnen betrappen: ik heb hem één keer de hoge G horen spelen.

Mijn favoriete albums:
Hank Mobley Quartet (1955)
Hank Mobley Sextet (1956)
Peckin’ Time (1958)
Soul Station (1960)
Workout (1961)
No Room For Squares (1963)

Een volledige discografie is hier te vinden.

Nog iets… ik heb mij alsnog de vinyl versie van Soul Station aangeschaft…

Epigonisme

Voorbeelden te over, maar ga je dan ook als hen klinken? Het is vaker geconstateerd: wie bijvoorbeeld Stan Getz bewondert en zijn sound nastreeft, blijft gefrustreerd achter, omdat die sound er maar niet komt. Er is een Selmer Mark VI aangeschaft, daarbij een Otto Link mondstuk, vergelijkbaar met dat van je held, inclusief Vandoren rieten. En dan is die sound er niet. Alles geboren uit een misverstand.

Ik kocht ook één sax, maar had binnen de kortste keren 8 verschillende mondstukken (anderen schijnen een veelvoud hiervan in hun ladekasten te bewaren). Eboniet, metaal, hout. Je kunt ze allemaal krijgen. Toen ik voor een negende exemplaar ging, wilde de leverancier mij er niet een verkopen en mijn docente verbood het mij om binnen een jaar nog eens van mondstuk te wisselen. Voor hun tegenwerking ben ik hen dankbaar.

img_4599 ← Twee van mijn mondstukken van Claude Lebayle, links een houten Studio (7*) en rechts een metalen Jazz (6* > 7*).

Je sound wordt bepaald door je jarenlange studie op het instrument, je embouchure, stand van tong en keel en je ademsteun. Je hebt saxofonisten die een hoedje of zonnebril dragen tijdens het spelen, alsof dat bijdraagt aan een beter spel. Hier geloof ik niets van. Ik draag merkondergoed, maar heb niet de indruk dat het mij helpt bij het musiceren.

Het is dan ook belangrijker om je studie te richten op het idioom van je grote voorbeelden, meer dan op de gear die zij gebruiken. Ik deed laatst mee met een jam-sessie en ik zag de mooiste spullen uit de koffers opduiken, maar geen van mijn combattanten had een sound. Wat dit betreft is het aardig om te weten dat Stan Getz regelmatig van mondstuk wisselde, maar daarop steeds hetzelfde klonk…

Het blijft natuurlijk aardig om achter de setup van je idolen te komen. Boris van der Lek, na een optreden aldus gevraagd, blaast op een Claude Lakey nr. 10 (standaard model, dat met het gestreepte randje, € 90 in de winkel) met kunststof rieten van Bari (als ik het wel heb). Ik heb ook eens met Max Ionata gesproken en hem naar zijn setup gevraagd: Otto Link Early Babbitt nr. 10, refaced, met d’Addario rieten. Eerder blies hij op mondstukken van Raphael Navarro (Maestra), Selmer (Soloist, long shank), 10MFan (Robusto), op een blauwe maandag ook op een Drake.

↑ Hierboven zie je Max Ionata Nobody Else But Me (Jerome Kern, 1946) spelen (Zandvoort, 4-9-2016) op zijn Otto Link Early Babbitt, hard rubber.

Ikzelf blaas al bijna twee jaar op de Son of Slant van Aaron Drake, nr. 7, medium chambre. Rieten: Rigotti Gold, nr. 3.