Afkluiven

Een tijd terug vertelde ik mijn vrouw dat ik een saxofonist ken die op een mondstuk type Otto Link Reso Chamber speelt. Het is een oud mondstuk uit de jaren ’40-’50. “Dan is dat ding niet alleen oud, maar ook afgekloven.” Zoiets is tegenwoordig weer in de mode en dat voor een vraagprijs van $600 tot $1000. Dat laatste had ik er niet bij moeten zeggen, want zij reageerde meteen: “Je hebt genoeg mondstukken.” Punt uit. Een discours over de ultieme sound sterft een stille dood.


↑ Demo van The Sax Shop.

Wat is het toch, die preoccupatie met mondstukken die je bij vele saxofonisten bespeurt? Het komt niet zelden voor: een saxofonist met een hele ladenkast aan mpc’s, mouthpieces. De verzamelwoede is een definitief andere dan die van de filatelist, dat kan ik de lezer wel vertellen. De filatelist brengt zijn verzameling tot stand om in de compleetheid ervan zijn voldoening te hebben. Een saxofonist met een buitensporige collectie mondstukken heeft die gecreëerd uit ontevredenheid.

Een amateur op de eerste schreden van de jazzmuziek heeft een instrument en een in de koffer daarbij meegeleverd mondstuk. Met tevredenheid stoot hij zijn eerste G uit de toeter, meldt zich aan bij de harmonie en zet de rieten die hij gratis van de vereniging krijgt, op zijn standaardmondstuk. En hier houdt het voor hem op. De muziek en het speelplezier zijn er, dat is genoeg.

Voor de instrumentalist die zich is gaan bezighouden met sound en projectie, begint de ellende pas. Hij luistert naar zijn idolen en bemerkt dat met alleen een deuntje naspelen hij er niet komt. Het klinkt niet. Dan wordt een fundamentele, maar veel voorkomende fout gemaakt: sleutelen aan je gear en de meesters in het vak klakkeloos naäpen. In de oudheid wisten de redenaars en schrijvers het al: met alleen imitatio (je voorbeelden nadoen) kom je er niet, wil je uitblinken moet er sprake zijn van aemulatio (je voorbeelden overstijgen).

Dat laatste is natuurlijk voor maar weinigen weggelegd, anders zou de jazzwereld uitpuilen van de John Coltrane’s, Joshua Redmans en Ben Wendels. Er zijn genoeg klonen, dat wel, maar een eigen geluid hoor je niet. Ikzelf ben er geen uitzondering op. Daarmee is niet gezegd dat je de jacht op je eigen sound moet opgeven.

Waar is die sound te vinden? Het is puur toeval, als ik zo links en rechts de bevindingen bezie van lotgenoten, wanneer je door identiek materiaal de sound van je grote voorbeelden vindt. Die sound zit in je hoofd. Sterker nog een zuivere klank produceer je niet zomaar. Die komt tevoorschijn, omdat je jezelf voorzingt en weet hoe je hem met embouchure, stand van de larynx en de juiste ademsteun op je instrument overbrengt.


↑ Donna Schwartz laat horen hoe je altissimo G produceert.

Ik kan niet kijken in de ladekasten van de pro’s. Wel heb ik mij laten vertellen dat bijvoorbeeld Wayne Shorter erom bekend stond voortdurend van mondstuk te wisselen. Joshua Redman begon op een STM van metaal, sloeg om naar een ebonieten exemplaar en is de laatste tijd weer gespot met een Florida (van metaal dus). Ook Max Ionata wisselt regelmatig: Drake, Navarro Maestra, 10MFan Robusto, Selmer Soloïst, Otto Link Early Babbitt… Je hebt ook saxofonisten die ‘trouw’ zijn aan hun oorspronkelijk mondstuk. Boris van der Lek heeft jaren lang op een standaard model van Claude Lakey geblazen. Bob Reynolds doet dat op een Otto Link hardrubber stock model, nr. 10 dat wel.

Mijn eigen collectie is bescheiden te noemen. Dit is te danken aan het advies van mijn docente (“houd je voor langere tijd aan één en hetzelfde mondstuk”), de verkoper van de Saxofoonwinkel (“we verkopen geen mondstuk meer aan jou”) en niet in de laatste plaats aan mijn vrouw (zie begin van dit artikel). Ik heb sinds drie jaar mij geen ander mondstuk meer aangeschaft. Kriebelen doet het wel.


↑ Zeven van mijn mondstukken (vlnr): Berg Larsen 0.95 (hierop begonnen), Drake New York Yazz Tenor 8 (verkocht), Lebayle Jazz 6* geopend, Lebayle Studio 7 geopend, Drake Son of Slant 7 medium chamber, Otto Link STM 7 verzilverd, Lebayle Studio 7 van hout.

Mijn vaste mondstuk is sinds drie jaar de Son of Slant van Aaron Drake, nr. 7, medium chamber. Ik gebruik diverse ligaturen, maar schaam mij er niet voor een cheapish bindertje op het mondstuk te zetten. Rieten: Rigotti Gold nr. 3½.


↑ Ik speel op de Son of Slant (handmade) van Aaron Drake, een kloon van de Otto Link Slant Signature uit de jaren ’50 van de vorige eeuw; de ligatuur is een goedkoop dingetje.

Nog interesse voor een afgekloven Otto Link Reso Chamber nr. 5 à $995? Sebastian Knox heeft er een in de aanbieding op zijn website. Prachtig geluid, als je een goede hebt en ermee weet om te gaan, getuige de setup van Ben Wendel…


↑ Ben Wendel en zangeres Luciana Souza brengen “June” ten gehore (deel 6 uit Seasons, 2015). 

Harundo donax

Bij mijn weten zijn gerechtelijke dwalingen niet strafbaar. In het meest ideale geval vindt er een ‘correctie’ plaats, dat wil zeggen: op de uitspraak. Het is natuurlijk van een mindere orde, maar niet kan worden uitgesloten dat ook bij afleveringen van the voice of… de jury ernaast zit. Straffeloos.

Mijn voorstel zou als volgt luiden. Bestraf de betrokken juryleden niet met een geldboete, royement of cachot. Nee, het bashen krijgt de vorm van genetische manipulatie: wie als een ezel luistert, drage voortaan ezelsoren aan het hoofd, onmiskenbaar door hun omvang en lelijkheid. Eeuwige schaamte is de straf.


↑ Koning Midas met ezelsoren, olieverf op doek 71×54 cm., door Andrea Vaccaro (1604-1670).

Denk niet dat mijn ingeving origineel is. Het overkwam in een ver verleden Midas, koning van Frygië (west-Turkije), na een foutieve beslissing. Met een tulband ging hij voortaan door het leven. De enige die van zijn geheim wist, was zijn kapper. Zware sancties weerhielden hem ervan ruchtbaarheid te geven aan het veranderde uiterlijk van de koning.

De psychische druk werd de man, de kapper wel te verstaan, te groot en om zijn gemoed tot rust te brengen groef hij ergens een kuil en ‘stopte zijn woorden erin weg’. Na een jaar waren er riethalmen opgekomen die op een bijzondere manier in de wind ruisten. Voorbijgangers hoorden de woorden ‘de koning heeft ezelsoren’.

Het verhaal stamt uit Ovidius’ Metamorphoses (elfde boek, regels 172-193). Bij mijn weten wordt daar voor het eerst in de literatuur, in de eerste eeuw vóór Christus, beschreven hoe riethalmen een ruisend i.e. zingend geluid afgeven. Het riet was daarmee in mijn ogen toen al voorbestemd voor gebruik op de saxofoon.

Vroegste vermelding van het speciaal voor houtblaasinstrumenten gekweekte riet, de arundo donax (harundo is trouwens de correctere schrijfwijze), vinden wij een eeuw later bij de Romeinse schrijver Plinius Maior (‘de oudere’, dit ten onderscheid van zijn neefje en adoptiefzoon, die ook schreef).

Est alius crassiore ligno et tenui foramine. Hunc totum fungosa replet medulla. Alius brevior, alius procerior, exilior crassiorque. Fruticosissimus, qui vocatur donax, non nisi in aquaticis natus, quoniam et haec differentia est, multum praelata harundine quae in siccis proveniat.
‘Er is nog een riet van dikker hout en met dunne buis. Het zit helemaal vol met sappig merg. Je hebt ze in diverse soorten: kort, lang, dun en dik. Het riet dat ze ‘donax’ noemen, groeit in dichte struiken en komt alleen op in waterrijke grond en dit maakt wel het verschil, want er wordt eerder gekozen voor riet dat op droge plekken uitloopt.’
(Plinius, Naturalis Historia 16.165)   

Met het kweken van riet ben je er nog niet. Ik ben niet thuis in de technische kant van de productie van saxofoonrieten, maar weet wel dat vóór het aansnijden ervan het riet na de oogst tot rust moet komen. Lange ligtijd – drie jaren, naar ik begrepen heb – is geboden en daar zit hem de kneep, want om het gewin gunnen de producenten het riet die rust niet.

De kwaliteit is er soms naar. Hoe vaak kom je niet het geklaag tegen over het hoge percentage rieten die regelrecht uit de verpakking in de prullenmand belanden. Zelfs grondige preparatie, zoals wrijven op een A4’tje, lepelen of met schuurbies bijwerken, helpt niet. Zelf heb ik dit alles achter mij gelaten en doe niet anders dan de platte kant lichtjes opschuren met de reedgeek en daarna maximaal twee minuten inweken in lauw kraanwater.


↑ Mijn laatste bestelling Rigotti Gold Jazz rieten (doos van tien).

Mijn rieten zijn van het merk Rigotti Gold, sterkte 3,5. Op de hele wereld zijn er slechts twee plekken waar de harundo donax welig groeit, Argentinië en zuid-Frankrijk (Var-streek). De meeste rieten, zo is mij verteld, worden uit dat laatste gebied betrokken en krijgen hun eigen stempeltje van de verschillende ‘fabrikanten’. De fabriek van Rigotti staat in de Var-streek zelf.

Ik ken een aantal saxofonisten die het erop wagen op slechte rieten te spelen of ze opzijleggen om ze later een tweede kans te geven. Het weer zou namelijk van invloed kunnen zijn op de kwaliteit ervan. Dat geduld kan ik niet opbrengen. Als ik ze al niet weggooi, gebruik ik een afdankertje om de lage C#-klep open te houden, wanneer ik klaar ben met spelen. Zo kan eventueel vocht verdampen en het ‘plakken’ van deze klep samen met die van de G# worden tegengegaan.


↑ Een oud rietje gaat tussen de C#-klep om ‘plakken’ te voorkomen.

Hoe klinken de rieten van de pro’s? Top, uiteraard, want zij overstijgen het materiaal waarop zij spelen en laten hun sound horen die met de nodige ademsteun hoofdzakelijk tussen hun oren en vanuit hun larynx ontstaat. Zoiets banaals als riet vormt voor hen geen hindernis meer om tot hun spel te komen.

Ik sluit af met drie voorbeelden. De hieronder verstrekte informatie komt, voorzover die up-to-date is, van de musici zelf.

(Om de volgende nummers te beluisteren moet je Spotify op je device hebben.)

Tom Beek speelt op een Conn 10M (serienummer 278782) met een Vandoren V16 T7 mondstuk (metaal) en Vandoren Jazz rieten nr. 3½.

Eric Alexander heeft een Selmer Mark VI (serienummer 92416). Hij blaast op een voor de grote jongens relatief ‘slap’ mondstuk, een metalen Otto Link 6* (dat zal toch gauw een tipopening 95 zijn; zo zie je maar, je hoeft niet ‘groot’ te blazen om volume te hebben). Hij gebruikt Rico Select Jazz rieten (filed, zgn. ‘french cut’).

Troy Roberts is in het bezit van een Conn Chu-Berry uit 1932 (‘silver plated’) en gebruikt een met de hand gemaakt mondstuk van Thomas Woodwinds. Hij is een ‘endorser’ van Vandoren rieten.

It’s not the gear

Het zal op een dag midden in de week zijn geweest. Opeens stond daar de achterbuurman voor de deur. Hij had aangebeld en aan zijn lichaamstaal viel te zien dat hij het moeilijk had zijn woorden uit te spreken. “Wat jij doet, vind ik storend…” Het lukte hem nog een tweede zin eruit te persen: “…en iedereen in de straat vindt dat ook.”

In de eerste zin ligt een kern van waarheid. Van niemand eis ik dat hij of zij mijn saxofoonspel apprecieert. De tweede mededeling bracht mij tot een rondgang door de straat om een fact check te houden. Niemand stoorde zich aan mijn hobby. De hekel die ik tegen jokkebrokken heb, is die dag alleen maar groter geworden.

Het geluid van een saxofoon, dat is bekend, ‘draagt’ ver. De buitenstaander ervaart het als niets anders dan kabaal. Deuren en ramen sluiten helpt slechts gedeeltelijk. Voor een geluidsdichte kamer in huis hebben we de ruimte niet. Saxofoondemper? Dat is praten met een zakdoek voor de mond.

Ik woonde eens op de bovenste verdieping van een studentenflat. Mijn oefeningen hield ik laat in de middag. Vergeleken met hoe ik nu oefen, was dat maar gerommel. Het moet vreselijk hebben geklonken. Ik zat in vier bands en dacht dat het wat voorstelde. Nu was mijn omgeving wel het een en ander gewend en mijn muzikale bezigheden werden getolereerd.

Op een keer kreeg ik, met mijn rug naar het raam gekeerd, het gevoel alsof ik werd bespied. Midden onder een toonladder draaide ik mij om en zag wat mijn buurman of -vrouw onder mij deed.  Een vijfde zintuig wees mij daarop. Er was een bordje op een bezemsteel gestoken en voor mijn raam gehesen:

stilte001

Ik denk dat het nu wel beter gesteld is met de klank uit mijn saxofoon (we zijn jaren verder). Lange tijd dacht ik dat ik een Selmer Mark VI, met Guardala MB II mondstuk, moest hebben en rieten van minstens nr. 3½ moest gebruiken om in de buurt van bijvoorbeeld Michael Brecker te komen. Spullen maken het geluid, toch?

Niets is daarvan waar. It’s not the gear. Materiaal vormt niet jouw sound, maar wat jij in je hoofd hoort en in mooie klanken weet om te zetten. De sound komt uit je hersenen. Luister naar wat Branford Marsalis, na een lange zoektocht naar de juiste setup, hierover te zeggen heeft in zijn masterclass (excerpt):



↑ Brandford Marsalis speelt You Don’t Know What Love Is (Raye & De Paul, 1941).