Blue 7

Ooit speelde ik in een band waarvan de trombonist fabelachtig goed de blues kon spelen. Dat maakte veel goed, want soms was hij van de horizon verdwenen en werd het een maandje wachten, voordat hij weer zijn gezicht op een repetitie liet zien. Dan was het weer genieten van zijn solospel en liet hij na gedane arbeid voldaan een plas condenswater uit het ventiel druipen.

Zijn sporadische absentie had zijn redenen. De jongen was armlastig en de trombone was zijn enige bezit. Van eten kwam het amper, maar daar had hij het volgende op bedacht. Hij hees zich op gezette tijden in een jasje, trok een stropdas aan en fêteerde zich op een etentje in een chique eetgelegenheid. Hij koos steevast een tafeltje dicht bij de uitgang. Na de maaltijd vroeg hij om de rekening en nam, wanneer de kelner naar achteren liep, de benen.

Als onze trombonist er niet was, wisten we dat hij weer eens tegen de lamp was gelopen. Eenmaal teruggekomen mocht hij weer van ons met een blues schitteren. Wij, de andere bandleden, brachten zijn verdwijning verder niet ter sprake, zagen dat hij dorstig was en hielden hem voor de rest van de avond vrij.

OK, een blues, drie simpele akkoorden (meestal F7, G7 en C7; 4-5-1 progressie) en een growl. Gooi er een pentatonisch loopje tegenaan en het begint erop te lijken. Ik ken muzikanten die voor een blues hun neus ophalen. Daar is geen uitdaging aan te beleven. Er zijn belangrijkere dingen in het leven.

Toch wil ik een lans voor het genre breken. Laatst hoorde ik Bob Reynolds de tip geven om Sonny Rollins’ ‘Blue 7’ nader te bestuderen. Het is het laatste nummer (van de vijf) op Saxophone Colossus uit 1956, volgens zeggen het, op Miles Davis’ ‘Kind of Blue’ na, meest verkochte jazzalbum ooit. (Aan ‘St. Thomas’, het openingsnummer, heb ik eerder een artikel gewijd.)

Laten we eerst ernaar luisteren, mijn eigen interpretatie, 12 chorusses…

↑ “Blue 7′ (Saxophone Colossus, 1956), zoals ik hem speel.

In AllMusic gevonden: “The closing number on Sonny Rollins’ seminal 1956 album Saxophone Colossus, ‘Blue 7’ is one of the greatest performances the great tenor saxophonist ever cut (…)” En even verder: “It’s a simple song, a steady rolling blues groove that sounds like the last song of a set in a late-night jazz club. In other words, the kind of loosely structured song that gives musicians ample space to stretch their muscles (…)” Dat is mij uit het hart gegrepen, simpel en toch krachtig.

Op de achterkant van de hoes van Saxophone Colossus schrijft Ira Gitler dat het gaat om een “minor blues of power with solos of all”. Die allen zijn Tommy Flanagan op piano, Doug Watkins op contrabas, Max Roach op drums en natuurlijk Sonny. De bandleden krijgen een ieder de ruimte om te soleren, Sonny speelt er telkens een solo omheen. Het stuk is in feite één lange jamsessie van meer dan elf minuten en de melodie, voorzover je van een melodie kunt spreken, is ter plekke bedacht. De opnamen dateren van 22 juni 1956. Sonny was toen 25 jaar oud.

Het pareltje is een blues in C-klein, maar de verlaagde kwint in maten 3-4, 7-8 en 11-12 nodigt uit tot het spelen van een vuile E. De A in de vijfde maat is zijn soortgenoot, want niet inherent aan een Eb-akkoord. In wezen speelt Sonny daar een Eb7sus4. De praktijk is dat je het stuk chromatisch kunt spelen en dat voelt lekker. Eigenlijk denk ikzelf er niet bij na en speel het stuk gewoon, zoals het mij uitkomt en recht uit het hart.

↑ ‘Blue Seven’, zoals het in het Realbook staat, C-versie.

Hoe spelen anderen het? Het lijkt wel een vergeten jazznummer. Het duo Houston Person en Ron Carter vertolkt het (als onderdeel van een compilatie op Jazz For A Lazy Day, 1998, Braziliaanse editie) op een manier, die heel dicht bij Rollins’ versie komt.

(Om de volgende nummers te beluisteren moet je Spotify op je device hebben.)

Shirley Scott (op Hammondorgel) speelt ‘Blue Seven’ op haar gelijknamige album uit 1965. We horen Oliver Nelson op tenorsax en Joe Newman op trompet. Oliver Nelson kon weten hoe je de blues speelt, want hier speelt hij een solo vier jaar na het verschijnen van zijn memorabele The Blues and the Abstract Truth (1961).


↑ ‘Blue Seven’ door Shirley Scott (Blue Seven, 1965).

Dan maar naar de meester zelf luisteren. Tommy Flanagan soleert als gewoonlijk bedaard en bedachtzaam, Doug Watkins speelt een walking bass solo, Max Roach peddelt zich er a-ritmisch door heen. Aan het slot doen Sonny en Max een four-on-four. Na een laatste keer het thema te hebben gespeeld blaast Sonny the blues met vier lang noten uit. Elf minuten en zeventien seconden zijn voorbij.


↑ ‘Blue 7’ (zo en niet anders staat het op de hoes) door Sonny Rollins gespeeld op 22 juni 1956, Hackensack Studio, New Jersey.

Wie in die boze wereld daarbuiten wil met mij Blue 7 spelen? Bassist, toetsenist en drummer welkom.

No moe

Van Sonny Rollins’ compositie No Moe worden we nooit moe. Het is een mooie hard bop melodie in het idioom van Rollins, zoals wij dat van hem kennen uit de jaren ’50. In die tijd componeerde hij ook Oleo (1954) en Doxy (1957). No Moe stamt uit 1956 en kwam oorspronkelijk uit op het album ‘Sonny Rollins with the Modern Jazz Quartet’.

Die versie van het stuk duurt 3½ minuut. Sonny soleert over drie chorussen. De eerste maat van de daaropvolgende chorus (bedoeld voor Milt Jackson op vibrafoon) pakt hij nog even mee met een langgerekte G (concert F). Aan het slot blaast hij de melodie nog één keer over acht maten en eindigt met een prachtige drop. 

no-moe-264
↑ Lead sheet van No Moe (C-versie).

De structuur van No Moe is identiek aan die van Oleo en erg leerzaam. Het is standaard opgebouwd: 32 maten A-A-B-A. De bridge wordt alleen door de ritmesectie gespeeld (Milt Jackson doet niet meer dan een eenvoudig lijntje spelen). Er zijn uitvoeringen waarbij deze wordt ingevuld met een vrij loopje. De bridge niet uitwerken – we hebben het niet over solo’s – komt natuurlijk overeen met de bedoelingen van de componist. Het schept ook rust en een tijd voor overdenking.

Dit idee, geen invulling geven aan de bridge, is niet uniek voor Rollins. Ook Charlie Parker doet het op Scrapple from the Apple (1957). Dat geldt ook voor de akkoordenprogressie: de ‘I Got Rhythm’ bridge van VI-II-V-I, oftewel een dalende lijn in de kwintencirkel van C7 (via F7 en Bb7) naar Eb7. Typisch voor zo’n bridge is de modulering in de eerste vier maten naar een toonsoort die een grote terts hoger ligt. De volgende vier maten laten een terugkeer zien naar de hoofdtoonsoort, waarin het stuk is geschreven. Zo’n opbouw geeft de solist veel houvast.

↑ Een gedeelte van de eerste chorus met de bridge, zoals gespeeld op Sonny Rollins with the Modern Jazz Quartet (1956).

Een transscriptie van No Moe (versie ‘Bag’s Groove’) inclusief inleidende chorus vind je hier. Op YT zijn versies van No Moe te vinden door Bob Berg (1994) en door Troy Roberts (2009).

Rest nog één ding: wat betekent ‘no moe’ nu eigenlijk?

Workout met Hank

Het was in mijn studententijd not-done om andere tenor saxofonisten te adoreren dan John Coltrane. Het leek wel of iedereen Blue Trane speelde. Het scheelde niet veel of een beetje saxofonist had een metalen Otto Link 5* met riet van tenminste sterkte 4 (zwaar op licht), alleen maar om Trane’s sound te benaderen.

Wel eens naar Coltrane’s solo geluisterd op So What (Miles Davis, Kind of Blue, 1959)? De noten zijn te haastig gespeeld, de lage komen er halfjes uit, altissimo’s worden niet voor de 100 % gehaald. Een paar chorussen verder komt Cannonball Adderley met zijn solo: hij vermorzelt Trane. Ik weet niet wat het is – anderen mogen het met mij oneens zijn – , maar hoe vaker ik naar Coltrane luister, hoe slechter ik hem vind.

Er was in de jaren dat Coltrane furore maakte (eind ’50 – begin ’60) één persoon die daar bijzonder veel last van had: Hank Mobley (1930-1986). Ik heb een zwak voor talenten die ondanks zwakke gezondheid zich opwerken tot fabelachtig niveau. Dat geldt voor Mobley, volgens zeggen vroeg begonnen op een sax die hij van een oom kreeg om hem uit zijn verveling te helpen.

Luister naar This I Dig of You (je moet Spotify op je device hebben) en je zult daarna begrijpen dat Mobley Coltrane ver achter zich laat (en ondergewaardeerd werd):

Coltrane maakte faam en Hank kon het schudden. Hij mocht eens toetreden tot de band van Miles Davis, maar pas nadat Coltrane daaruit was gestapt. Dat was in 1961 en Mobley’s sound was op z’n best eind jaren ’50.

Een van de eerste cd’s die ik kocht was zijn Soul Station (1960) en ik vond het op dat moment ‘gewoontjes’. Ik was verpest door de Coltrane-dictatuur. Pas toen ik zelf tenor sax ging spelen en zijn solo’s probeerde na te spelen, werd mij duidelijk waarom hij anders, beter was dan Trane: zijn vermogen om melodische solo’s te spelen die perfect de harmonie van een song weerspiegelen, alles zonder flauw of saai te worden.

Voorzover mij bekend heeft Mobley zich nooit laten verleiden om op een metalen mondstuk te spelen, maar ik kan mij vergissen. Verder heb ik hem nooit op altissimo’s kunnen betrappen: ik heb hem één keer de hoge G horen spelen.

Mijn favoriete albums:
Hank Mobley Quartet (1955)
Hank Mobley Sextet (1956)
Peckin’ Time (1958)
Soul Station (1960)
Workout (1961)
No Room For Squares (1963)

Een volledige discografie is hier te vinden.

Nog iets… ik heb mij alsnog de vinyl versie van Soul Station aangeschaft…