Duck Amok

In mijn vroege jeugd was ik al klant van de buurtslijter. In die tijd waren de regels voor alcoholverkoop nog niet zo strikt als tegenwoordig. Meer dan dat was het de bekendheid met het feit dat grootmoeder, die bij ons inwoonde, haar eigenzinnige recepten had. Het afgepaste geld deponeerde ik op de toonbank en de fles jenever werd van de schap gehaald. “Zo, jongen, gaat grootmoeder weer babi pangang maken?”

Mijn grootmoeder wist hoe je een lap buikvet in de oven moest vertroetelen. Om de paar minuten werd de ovendeur geopend om het sissende vlees te bestrijken met olie en jenever, altijd van één en hetzelfde merk. Voor de olie gebruikte zij een lepel, met een penseel maakte zij schilderende bewegingen om de jenever de juiste plekken te wijzen. (Een modern recept van babi pangang vind je hier.)

Als het haar verjaardag was, leek het bezoek alleen maar te komen om van het goddelijk kostje te smullen. Anderen in de familie waagden zich weleens aan het recept, maar dan wachtte steevast het genadeloze commentaar van de queen of Yakarta: “Die van mij is lekkerder.”

Nu wist ik toen nog niet dat ik ooit saxofoon zou spelen, want dan had ik mijn culinaire verslavingen eerder kunnen beteugelen. Eten en drinken, dat gaat niet samen met een blaasinstrument. Residuën die zich in je mondholte en zelfs je adem ophopen, vormen een aantasting van je geliefde instrument.

Laat ik nu laatst het boek Jazz Cooks uit 1992, geschreven door Bob Young en Al Stankus, tegenkomen (lees hier een recensie). Heel wat jazzmusici blijken, getuige de gegeven interviews, keukenprinsen en -prinsessen te zijn en een slordige meerderheid houdt van kanen. Het is duidelijk: ik ga het hebben over de eetgewoonten van de masters of jazz. Als de papillen van de lezer genoeg hebben aan een patatje Paay, dan is de onderstaande informatie te veel van het goede.

↑ Patatje Paay voor de liefhebber. 

In de Huffington Post (ed. Australië) van 8 november 2013 stond het verhaal over een doodzieke klarinettist. Hoestend en kreunend van de pijn strompelde hij het ziekenhuis binnen, maar een eerste onderzoek leverde niets op dan schimmels in de longen. Een vasthoudende internist vroeg door en kwam erachter dat de beste man in de dertig jaar dat hij op zijn klarinet speelde, nog nooit zijn instrument had schoongemaakt.

Sterk verhaal? Medisch onderzoek heeft uitgewezen dat een meer dan gemiddeld grote kans op longaandoeningen en infecties bestaat onder leden van jeugdorkesten en fanfares. De muzikantjes spelen op geleende of gehuurde instrumenten, waarop door anderen, hun voorgangers, intensief is geblazen en bij wie de hygiënische mores niet hoogstaand waren.

Tanden poetsen en je instrument schoonmaken, de twee geboden voor een blazer, vooral voor wie on tour is, want dan eet je buitenshuis om daarna meteen aan de gig te beginnen. De tandenborstel wacht ongebruikt op de hotelkamer.

Ik geef enkele facts uit ‘Food habits in a group of musicians’ (Pires, Lourenço & Cabrita, Experimental Pathology and Health Sciences, 2015, 7-2, pp. 27-30). Enquêtering van 35 musici leverde o.a. deze gegevens op (voor de percentages leze men het rapport):

  • twee op de drie mannen eten regelmatig tot vaak rood vlees, bij de vrouwen is de verhouding vier op de vijf;
  • één op de vier mannen drinkt géén laag-alcoholische drankjes, bij de vrouwen is dat één op de drie;
  • één op de vier vrouwen drinkt sterke drank, terwijl twee op de vijf mannen dat doen;
  • de helft van de ondervraagden, zowel mannen als vrouwen, eet van de grill.

Het is duidelijk: aan de vrouwen is een biefstukje goed besteed en mannen consumeren meer sterke drank. Vergeet verder niet de barbecue regelmatig aan te vullen, wanneer je muzikanten hebt uitgenodigd. Het onderzoek schijnt ook uit te wijzen dat er geen significante verschillen zijn op basis van leeftijd. Alles is blijkbaar jong aangeleerd. Gelukkig denkt de huidige generatie bewuster na en is er onder jazzmusici, atleten in hun vak, een trend te bespeuren om gezondere eetpatronen na te streven.

Jazz, eten en drinken, drie handen op één buik. Orkestleider, pianist en componist Duke Ellington schijnt meer dan twintig composities geschreven te hebben met eten en drinken in de titel, zoals ‘Cocktails For Two’ (1934), ‘Sauce For The Goose’ (1937), ‘Pigeons And Peppers’ (1938), ‘At a Dixie Roadside Dinner’ (1940), ‘Blue Goose’ (1940), ‘West Indian Pancake’ (1959), ‘Blue Pepper’ (uit The Far East Suite, 1966), ‘Wild Onions’ (1967), ‘Duck Amok’ (1974) enz.

(Om de onderstaande nummers te beluisteren moet je Spotify op je device hebben.)

Van Dizzy Gillespie wordt gezegd dat hij zó dik werd dat hij niet meer kon fietsen en toen gestopt is met het eten van vlees. In zijn eigen woorden: “My intestines wrote me a letter. Then they gave me an official thank-you note.” Ik weet niet of hij daarvóór of juist daarná zijn compositie ‘Manteca’, Spaans voor boter of vet, heeft geschreven.



↑ Dizzy Gillespie’s Dream Band speelt ‘Manteca’ (Lincoln Center, 1982).

BTW: mijn voorkeur gaat uit naar de uitvoering van de GRP Big Band, alleen al vanwege de bezetting met o.m. Kenny Kirkland (p), Eric Marienthal (alt), Bob Mintzer (tenor), Ernie Watts (tenor), Randy Brecker (t), Sal Marquez (t), Lee Ritenour (g), John Patitucci (b), Dave Weckl (dr). Hoe verzin je zo’n line-up!

Na een lang leven begonnen met gevangenisstraf en getekend door drugsgebruik en het spelen met de grootsten der aarde leeft de nu 87-jarige Sonny Rollins op zijn ranch in Woodstock (NY). Hij doet er aan yoga, volgt een zout-arm diëet bestaande uit hoofdzakelijk vis, kip, fruit en verse groente.

Trompettist Louis Armstrong, een notoire smulpaap, ondertekende veel brieven met ‘Soul foodly yours’, nog vaker met ‘Red Beans And Ricely Yours’. Rijst met rode bonen (kidney beans) was zijn favoriete maaltijd. Het Louis Armstrong House Museum is in het bezit van het originele recept van mevrouw Armstrong. Dankzij haar was Louis in 1953 op zijn top, wat lichaamsgewicht betreft.


↑ Louis Armstrong met vrouw Lucille in Rome in 1949 aan de spaghetti (bron: nrp.org). Louis, opgelet: het is spaghetti óf bijgerecht, niet beide tegelijk!

Voor zover bekend heeft Louis tijdens zijn muzikale leven minstens acht trompetten ‘versleten’. Ik weet nu waarom.

Een zijsprong: je hoeft geen kok te zijn om “kok” te heten. Junior Cook is een redelijk onbekende tenorsaxofonist. Zijn eerste eigen vinyl opnamen beluister je op Junior’s Cookin‘ (1962). Hij is dan uit de band van Horace Silver gestapt en ging samen met trompettist Blue Mitchell in een eigen band verder. Zijn toon is niet altijd even constant, maar hieronder speelt hij fraai Charlie Parkers ‘Chi-chi’ (Senior Cookin’, 2009).

Uit eerbetoon voor de culinaire hoogstandjes van mijn grootmoeder én omdat ik morgen jarig ben, laat ik mijn eigen compo horen: de Babi Pangang Blues! Smakelijk eten!

Stolen moments

Eens had ik mij een racefiets aangeschaft, in een tijd dat het nog niet zo modieus was als amateur er een te hebben. Ik reed er niet zo hard mee, maar voor mijn doen wel ver. Op een keer vertrok ik voor een weekend van de plaats waar ik studeerde, naar het ouderlijk huis. De vuile was ging in een rugzak en ik zette dapper af.

Het was niet zozeer de zadelpijn, eerder de mentale deceptie de laatste kilometers niet te halen, die mij sloopte. Het biertje waarop ik mijzelf, met nog een kwart van de afstand voor de boeg, trakteerde, wil ik onvermeld laten. Toen het weekend voorbij was, besloot ik met de trein terug te reizen. De fiets werd in de berging, op de begane grond van de woonflat, opgeborgen. Moeder vond een fiets op de slaapkamer géén gezicht.

Vier dagen later kreeg ik een telefoontje. ‘Jongen, er is bij ons ingebroken en je fiets is gestolen.’ Het waren de dagen dat de politie snel haar werk deed. Binnen een week hadden zij mijn tweewieler boven water (met de dader). De dief had de fiets echter naar eigen smaak ‘aangepast’ en ik vond het ding ineens te vies om aan te raken. Voor een zacht prijsje wisselde deze van eigenaar.

Over fietsen gesproken: die kom je niet vaak tegen in de jazz (‘Bicycle’ van popgroep Queen sla ik over). Dave Brubeck heeft het kinderliedje ‘Daisy Bell’ (Harry Dacre, 1892) bewerkt tot zijn ‘Bicycle Built for Two’ (Quiet as the Moon, 1991):

 

Ik denk niet dat ik zo gemakkelijk van mijn sax afstand zal doen, als die ontvreemd wordt en ik hem weer in handen krijg. Daarvoor raak je te veel gehecht aan de sound en de ‘feel’ van het instrument, waarmee je in de loop van de tijd één bent geworden. Ik ben niet de enige, want links en rechts lees je berichten over gestolen saxofoons en hun bezitters die ontredderd achterblijven. Het verlies aan financiële waarde is groot, maar een even zo grote rol speelt de emotionele waarde.

Het is soms ook niet mis wat ‘zoek’ raakt. Er zijn musici die dubbelen en voor een optreden een uitgebreid instrumentarium meezeulen. Iemand verloor door diefstal (gelezen op saxforum.nl d.d. 26-2-2016) een altsax Selmer Mark VI uit 1959, een baritonsax Selmer Mark VI uit 1962 en een tenorsax Buescher Aristocrat uit 1976. Dat is toch een buit van om en nabij € 15.000-.

Meldingen over zo’n diefstal laten zich lezen als heuse rouwadvertenties.

“Tot mijn groot verdriet is geheel onverwacht, als gevolg van een autoinbraak, afgelopen zaterdag in het centrum van de stad, mij ontvallen mijn dierbare zwart gelakte Selmer (USA) Bundy tenor, met chromen kleppen en applicatuur. Het beestje was oud, maar nog zeer levenslustig.”

Het zijn vaak de onbewaakte momenten, waarop de verdwijning plaatsvindt. Concerten in een kroeg of op een ‘cosy’ plek zijn vaak boosdoener. De omgeving is sympathiek, je krijgt een biertje en je staat na de gig met de rug naar je instrument. Carnavalsfeesten scoren ook hoog, als het om verdwijningen van een instrument gaat. Tot mijn geluk ben ik geen carnavalsganger.

De dieven bij bovengenoemde gelegenheden kun je nog enig verstand van zaken toedichten. Bij woning- of autoinbraken blijkt vaak dat ze niet hebben geweten wat zij meenamen. Het afzetten van het gestolene wordt een lastige klus voor de stroper, want het instrument heeft een serienummer. Aanbiedingen op Marktplaats van instrumenten zonder vermelding van serienummer zijn daarom per definitie verdacht.

Zinvol is de diefstal niet altijd. Die van 9 oktober 2013, tussen één uur en 20 over één ‘s morgens op de Place de l’Ange in Namen, is onbegrijpelijk. Twee jonge vrouwen hebben de trompet gestolen van het engelenbeeld op het stadsplein. Beelden van hun actie zijn op een bewakingscamera vastgelegd. Op hun buit (het is geen trompet, zoals het politiebericht laat weten, maar een bazuin) valt niet eens te spelen.

Het kan tragischer. Een vrouw uit Evergem doet een emotionele oproep naar getuigen van een schaamteloze en respectloze diefstal op het gemeentelijk kerkhof. Haar man kwam om het leven bij een arbeidsongeval. Hij speelde bijzonder graag trompet en daarom liet zij voor hem een heel persoonlijke grafzerk ontwerpen. Onder een glazen stolp verwerkte ze de originele koperen trompet van haar man. Die trompet viel op en maakte de grafzerk uniek. Een dief heeft daaraan een eind gemaakt.

Niet alleen amateurs maken dit leed mee, ook professionals ontkomen er niet aan. Jules Deelder zegt over de Parijse jazzclub Le Chat Qui Pêche: „Daar werd de trompet van Chet Baker nog een keer gestolen.” De trompet van de Nederlandse jazzmusicus Jarmo Hoogendijk is tijdens de open dag van het Rotterdams Conservatorium verdwenen. Het vermissingsbericht maakt melding van een nikkelen instrument dat herkenbaar is omdat ‘het stemschuifje bij het eerste ventiel, de trigger, is verwijderd’. Als je kat zoek is, wijs je op zijn kenmerkende navelbreuk…

Roy Hargrove trad in 2000 op in de Scullers Jazz Club in Boston (onderdeel van het Hilton, zie onderaan pagina) en was meteen zijn trompet kwijt. De dief bleek al gauw spijt te hebben van zijn daad en deponeerde het goed in een plastic zak bij de bosjes voor het pand. Een vriend van hem belde voor de zekerheid naar de club: of ze de toeter al terug hadden gevonden?

Louis Armstrong heeft op één uitzondering na altijd op een Conn gespeeld, een best merk. Anecdotisch is het lot van zijn eerste trompet die hij in 1926 in een hotel in New York kwijtraakte. Dertig jaar later zou hij het bij een pandjesbaas hebben zien liggen. Je eerste liefde vergeet je nooit.

Op 8 februari 1947 was de volgende trompet aan de beurt. Een paar uur voor een optreden in de Carnegie Hall (NY) had een onverlaat zijn slag geslagen. Het concert kon doorgang vinden, omdat Louis de trompet van een bevriende musicus kon lenen. Zijn toon had er niet onder te lijden, want hij had nog wel zijn eigen mondstuk dat hij altijd bij zich droeg, wanneer hij niet speelde.

Over herkennen gesproken. Joe Henderson vertelt hoe een leerling bij hem een les volgde en vol trots zijn nieuwe sax toonde, een Selmer Mark VI. De lage b-klep liep stroef en Joe werd gevraagd een keer op de sax te spelen. Hij zat er niet om te springen; hij was nog bedroefd om het verlies van zijn eigen Mark VI, enkele jaren terug. Wat hij nu in de handen gedrukt kreeg, voelde wel heel vertrouwd aan: losspringend schroefje, bekende vlekken, die toon… Dat was zíjn instrument!

Ik zou het bijna vergeten: Lous Armstrong is een hoekje gegund in het Hollywood Wax Museum. Hij staat er stijfjes een c-tje te blazen. De gretige museumbezoeker die de toeter van het beeld heeft gewrongen (Louis mist een aantal vingers) had verstand van zaken. De trompet had waarde, want hij was vergelijkbaar met het laatste exemplaar waarop ‘Satchmo’ blies.

Over de diefstal van de sax van Dexter Gordon gaan de wildste geruchten. Deze zou in 1961 gestolen zijn op een luchthaven in Parijs. Het was een Conn 10M. Hij schaft zich daarna een Selmer Mark VI aan, de grote mode. Maar op opnames uit 1964 zie je hem nog steeds (of weer) op een Conn 10M spelen (te herkennen aan de brug onder de hals en de positie van de lage kleppen links van de beker).

Een andere lezing wil dat Gordon zijn komst in Parijs wilde ‘vieren’, zijn spullen (Conn + Dukoff mondstuk) in de hotelkamer achterliet en meteen het nachtleven introk. Het avondje stappen kostte hem een stuk van zijn geheugen en Dex wist niet meer in welk hotel hij was ondergebracht.

Laat ik alle hierboven beschreven ellende beëindigen met iets moois, met misschien een toepasselijke titel…

↑ Fragment uit ‘Stolen Moments’ door het Oliver Nelson Septet (The Blues and the Abstract Truth, 1961; fragment).