Money, Money, Money

In de stad waar ik studeerde, was er een gedoogbeleid t.o.v. straatmuzikanten. Je mocht op de markt- en zaterdagen in de winkelstraten je koffer opengooien, uitpakken en je kunsten vertonen dat het een lieve lust was. Enige restrictie: om het half uur verkassen en je op een andere plek installeren. Een langer verblijf voor de deuren van het winkelpand zou de handel in rookworsten, hip schoeisel of kekke dameslingerie danig kunnen bederven.

De angst om in je eentje, conform de gemeentelijke verordening, op te treden werd goedgemaakt door de verdiensten. De saxofoonkoffer, voor je voeten opengesperd en alvast voorzien van muntgeld, ontpopte zich als gulle geldautomaat. Als je de inkomsten omrekent naar wat ik later in een reguliere baan bijeen wist te schrapen (nee, ik was en ben geen graaier), had ik een prettig uurloon.


↑ Twee-dollarbiljet n.a.v. het tweehonderdjarig bestaan van de V.S. (“Bicentennial”);
alle beetjes helpen…

Ik kende iemand die om die reden de steden in de regio bezocht op telkens een andere marktdag. Wij allen dachten aanvankelijk dat hij zó armlastig was, dat hij niet anders kón, en keken meewarig, wanneer hij vanuit de streekbus naar ons wuifde. Niets daarvan. Na een half jaar had hij genoeg verdiend om op Ibiza eerst vakantie te houden en er daarna zijn carrière voort te zetten.

Dit is de romantische kant van het muzikantenbestaan. De realiteit is een geheel andere. Ik baseer mijn kennis hierover op een in 2016 verschenen studie van de Union Deutscher Jazzmusiker en ga er gemakshalve vanuit dat grosso modo de situatie in Nederland vergelijkbaar is. Schrik niet…

Vier op de vijf jazzmusici is man, driekwart van hen woont in de grote steden, driekwart heeft een muzikale opleiding genoten, een tweederde deel van de musici componeert eigen stukken. Nu komt het: slechts 5% kan als zelfstandig musicus rondkomen van een modaal inkomen, zulks slechts door jaarlijks meer dan 100 keer op te treden.

Honderd optredens, dat is nog tot daar aan toe. Maar vergeet niet wat er allemaal bij komt kijken: reiskosten, verzekeringen, onderhoud c.q. reparatie van je instrument(en), geluidsinstallatie, repetities, componeren (voor de supercreatievelingen) en niet vergeten… je eigen huisvlijt (oefenen). De lasten voor een bandleider en arrangeur zijn nog eens exponentiëel hoger. De jazzmusicus dezer dagen komt – dat is evident – niet aan eten en slapen toe en kan het stichten van een gezinnetje op zijn (of haar) buik schrijven.

Bij het optreden van het Bob Reynolds Quartet op 2 juni 2018 in het Bimhuis, Amsterdam, zaten naar mijn schatting 300 mensen in de zaal (maximale capaciteit: 375). Met een gemiddelde prijs à € 20,- zal de recette € 6000,- zijn geweest. Ik ken Bob Reynolds’ gage niet, maar met een Europese tour langs twintig steden zal zijn vierkoppige band een slordige 80 mille hebben opgestreken. In een maand tijd. Trek af verplaatsingskosten, vliegtickets L.A.-Parijs v.v., verzekeringsgeld, kosten management en afdracht aan de belastingdienst – wat overblijft, is voor een begenadigd jazzmusicus in ons land nog steeds iets om van te likkebaarden.

Een veel gemaakte fout is overigens om als beginnend en onbekend jazzcombo een ‘schappelijke’ vergoeding te vragen voor een optreden. Er zijn zovele bands out there en je moet er maar zien tussen te komen, out of nowhere. Het gevolg hiervan is dat je onwillekeurig meedrijft in een neergaande spiraal: de anderen doen het voor nog minder en je eigen frisse bandje deflateert mee. Het devies moge duidelijk zijn: we’re only in it for the money. 

(Om de volgende nummers te beluisteren moet je device over Spotify beschikken.) 

Pink Floyd zong in 1973 over het betaalmiddel (The Dark Side of the Moon, 1973), voor een popgroep een hele prestatie, als je je bedenkt dat het stuk, afgezien van de gitaarsolo, in 7/4 is geschreven. In hoofdlijnen is er van een bluesschema gebruikt gemaakt (in b-klein, sic!). Voor een meer jazzy uitvoering moet je bij de George White Group zijn.


↑ ‘Money’ in de versie van de George White Group (Jazz and White, 2014; de zangeres is Elizabeth Sparks).

Geld maakt niet gelukkig, wel gelukkiger. We horen het Agnetha, Björn, Benny en Anni-Frid drie jaar later zingen op hun album Arrival uit 1976.

All the things I could do,
if I had a little money.
It’s a rich man’s world.

Hun talent spat ervan af: over geld zingen en geld ermee verdienen. Als ik een compositie had geschreven en er een titel voor zou moeten bedenken, zou ik het wel weten…


↑ Spaanse uitvoering van de musical Mamma Mia! (Barcelona, 26 november 2015). Zangeres Nina zingt ‘Money, Money, Money’; haar cd-versie stamt reeds van 2005.

De song telt, intro en enkele overgangsmaten niet meegerekend, 32 maten in de vorm A-B. Een vondst is de accentverspringing in maten 15-16.


↑ ‘Money, Money, Money’ in de versie van 32 maten (schema: A-B).

Geld, geld, geld. Zij werden er goed voor betaald, anderen wellicht wat minder. Als je er niet aan verdient, kun je op z’n minst jezelf naar de zilverlingen noemen. Wat te denken van Jazz Money of de Geldwolven? Opvallend genoeg zijn er bij mijn weten geen jazz standards die een titel voeren met ‘money’ erin, behalve ‘Why Don’t You Do Right (Get Me Some Money Too!)’ – en dan gaat het om de ondertitel.

Van tijd tot tijd zijn er jazzmusici die zich op ABBA’s creatie werpen, sterker nog, het hele ABBA-repertoire naspelen. Trombonist Nils Landgren werd eens gevraagd plaats te nemen in de blazerssectie op ‘Voulez-Vous’ (Voulez-Vous, 1979). Het is mij niet bekend of hij toen al op een roodgeverfde trombone, zijn waarmerk, speelde, maar 25 jaar na dato komt zijn eerbetoon aan ABBA.


↑ Nils Landgren Funk Unit speelt ‘Money, Money, Money’ (Funky ABBA, 2004).

Een van de meest getalenteerde jazzzangeressen van eigen bodem is Judith Nijland. Na een studie klassieke talen koos zij voor een opleiding aan het Haags Conservatorium. Aan het doceren van Grieks en Latijn valt al helemaal geen droog brood te verdienen, moet Judith hebben gedacht. Zij heeft haar eigen ‘tribute’ aan ABBA gebracht en wordt op haar album begeleid door Danny van Kessel (p), Pieter Althuis (b) en Arie den Boer (dr).


↑ Judith Nijland zingt ‘Money Money Money’ (A Jazz Tribute To ABBA, 2016).

Omwille van de privacy en de jagers van de belastingdienst maak ik míjn vraagprijs voor een optreden niet bekend…

Misty

“Look at me, I’m as helpless as a kitten up a tree.”

De openingszin van de ballad Misty (“in de war”) doet mij denken aan onze eerste kat. We zijn inmiddels aan onze vierde toe, maar de herinneringen aan de eerste zijn een en al levend. Het diertje was op een enkele sok na ravenzwart. En loens. Voorbijrennende honden zag hij, blijkens zijn hoofdbewegingen, twee keer.

Hij, geholpen katertje, was er niet minder vriendelijk om en sprong steevast op de schoot van de grootste kattenhaters onder de bezoekers van ons huis. Een gil van meestal de vrouwelijke gasten klonk hem als muziek in de oren, want hij was niet weg te slaan. Hopelijk is dat de hoofdreden waarom ik mijn schoonfamilie zo zelden bij ons thuis zie.

Al onze katten zijn geweldige klimmers geweest, behalve die eerste. Nu ja, één maal heeft hij een boom van de bovenkant gezien, waarna het hem aan de nodige lef ontbrak om de weg terug te nemen. We waren hem uren kwijt, totdat hij in het halfdonker het op een gekrijs zette. We waren gewend hem veel koosnamen te geven, maar op geen enkele reageerde hij die avond. Na elke uitnodiging deed hij een stap hoger de boom in.

Op advies van de mensen van de dierenambulance (de boom was hen te hoog) werd de gemeentelijke brandweer ingeschakeld. “Je moet niet zeggen dat het júllie kat is!” Een gouden tip van de dierenvrienden, want de mannen in het oranje pak zagen in mij slechts een oplettende burger en brachten niets in rekening.


↑ Rundvleeskroket, te bestellen bij wassenaarsnacks.nl.

Later op de avond en een traumatische ervaring rijker sloop het beestje de keuken binnen om zijn inmiddels gigantische honger te stillen. De nodige hectiek van die dag had ervoor gezorgd dat wij niet aan het doen van boodschappen waren toegekomen, en het kattenvoer was erbij ingeschoten. Een rundvleeskroket maakte veel goed.

De kat is niet meer dan een allegorie in de song “Misty”. De spreker is een en al hulpeloosheid, want op zoek naar de ware die nog niet aan zijn of haar avances toegeeft. De bridge van het liefdesliedje, want dát is het, leert ons dat de liefde een kwestie van vooropgaan en volgen is.

“You can say that you’re leading me on,
but it’s just what I want you to do.
Don’t you notice how hopelessly I’m lost?
That’s why I’m following you.”

Zo simpel is het: handjepak!

↑ Lead sheet van “Misty” (C-versie).

Het schema is standaard 32 maten A-A-B-A. De melodie van het A’tje, in hoofdzaak dalend, balanceert op de noten D, C, G en Eb, door vele versieringen omlijst. Wanneer je in de laatste vier maten van de bridge (het B’tje) een C7-akkoord inlast, zoals sommigen dat doen: Am7 – D7 | C7 – F7 | Gm7b5 – C7 | Fm7 – Bb7, heb je vier opeenvolgende V-I progressies. De laatste twee maten in de bridge bevatten een klassieke VI-II-V-I progressie.

Deze ballad komt het meest tot zijn recht, wanneer je hem langzaam speelt, niet sneller dan ♩= 70. De melodie spreidt zich uit over bijna twee volle octaven. Een blazer moet tien keer een lange toon van drie tellen of langer aanhouden. Verder is het stuk een goede oefening in triolen. Een goede zanger(es) doet de rest.

De song is een compositie van Errol Garner uit 1954 en aanvankelijk instrumentaal bedoeld. Het nummer is in 1955 uitgebracht op het album Contrasts. Later is er de tekst van Johnny Burke aan toegevoegd. De door Johnny Mathis gezongen versie verscheen voor het eerst op diens album Heavenly uit 1959. Deze werd korte tijd later als single uitgebracht en werd in de V.S. een grote hit.

De meester zelf speelt zijn creatie met veel arpeggio’s en pommade. Zie YT-filmpje hieronder…


↑ Errol Garner speelt zijn creatie in de BRT studio in Brussel (datum onbekend).

(Om de volgende nummers te beluisteren moet je device over Spotify beschikken.)

Laten we naar anderen luisteren. We beginnen rustig met de interpretatie van Ahron Kupner, mij verder alleen als Spotify-artiest bekend, die het stuk solo op de vleugel speelt. Restaurant, lift, vernisage…


↑ Ahron Kupners versie van ‘Misty’ (Session 1, 2017).

Vrij snel zag Toots Thielemans de potentie van het nummer en nam het op in 1960. Zijn spel op de harmonica (op het album neemt hij ook de tijd op gitaar te spelen) wordt begeleid door Ray Bryant (p), Tom Bryant (b) en drummer Oliver Jackson (d).


↑ Toots Thielemans speelt ‘Misty’ (anthologie The Soul of Toots, 2013).

Tien jaar na de geboorte van de compositie kwam tenor saxofonist Don Byas met zijn instrumentale versie. Hij heeft, als je het mij vraagt, goed geluisterd naar Coleman Hawkins…


↑ Don Byas speelt ‘Misty’ (oorspronkelijk verschenen op het album April in Paris! Don Byas with strings, 1963).

Een ronduit prachtige line-up zien we op het album Bob Brookmeyer and friends: naast de bandleider horen we Stan Getz (s), Herbie Hancock (p), Ron Carter (b), Gary Burton (vibrafoon) en Elvin Jones (d). Wie gecharmeerd is van het vibrato van Stan Getz, beleeft veel plezier aan deze versie van ‘Misty’ (luister naar zijn afsluitende lage Bes aan het eind). Brookmeyer speelt zoals altijd op de ventieltrombone.


↑ Bob Brookmeyer en Stan Getz spelen ‘Misty’ (Bob Brookmeyer and Friends, 1965).

Even iets rechtzetten. ‘Misty’ kan natuurlijk best wel snel worden gespeeld, getuige Richard Holmes’ manier van spelen (met Gene Edwards op gitaar en Jimmy Smith op drums). Zang weglaten en je Hammondorgel ervan langs geven…


↑ Richard “Groove” Holmes speelt ‘Misty’ (Soul Message, 1965).

Recent is het nummer op haar solo album Ella Lives ingezongen door de Zweedse zangeres Vivian Buczek.


↑ Vivian BUczek zingt ‘Misty’ (Ella Lives, 2017).

Ik zou het bijna vergeten: de gezongen versie van ‘Misty’, de hit van Johnny Mathis. Zijn versie is in 2002 bijgeschreven in de Grammy Hall of Fame Awards.


↑ Johnny Mathis zingt ‘Misty’ (Heavenly, 1959).

Voor wie allergisch is voor het strijkje bij Johnny Mathis: laten we hopen dat hij zijn liefdespreek niet voor de kat z’n viool zingt. Misty, een mooie naam voor een kat…

Kleppen

Er zijn van die momenten waarop alles, nou ja, bijna alles niet gaat, zoals je dat wil. Je oefeningen bijvoorbeeld lopen ineens stroef. Je rieten zijn bagger. De hoge F# en G bezorgen je koppijn. C#- en G#-kleppen pikken ondanks het schoonvegen (volgens sommigen kun je dat het beste doen met versgedrukte bankbiljetten!).

De pijnigingen van de afgelopen week betreffen niet alleen mijn sax. Een zeurende pijn in mijn linker elleboog, tenditis, brengt mij bij de fysiotherapeut die mij te verstaan geeft dat de oorzaak niet in mijn spel op de sax kan liggen. Ik heb mij, letterlijk, aan huiselijke werkzaamheden vertild. Gelukkig.

De koets waarmee wij onze boodschappen doen en ik af en toe een repetitie bezoek, maakt de laatste tijd herrie van een onbestemde oorsprong. Op navraag kan de garagehouder vooralsnog geen technische mankementen van ernstige aard ontdekken. Hij houdt het op ‘cuppende’ banden. Zijn commentaar: “Met herrie valt te leven.” Gelukkig.

Mijn Trevor James was nodig aan een beurt toe en bij de Saxofoonwinkel is hij netjes opgelapt. Zelfs het groene patiné, een herinnering aan het spuug dat is blijven liggen, is grotendeels weggepoetst. Toch heb ik een lichte woede moeten onderdrukken, toen ik twee dagen later geklepper hoorde: het rubberen kraagje onderaan de Bb-klep was weggesprongen. De lekkende kleppen waren verholpen, maar nu dit weer.

Over kleppen gesproken. Ooit maakte ik voor de klas op de school waar ik werkte, de opmerking dat als er sprake was van een lekkende klep, die van een saxofoon eenvoudiger te repareren viel dan die van een vrouw. Alleen de jongens konden de grap waarderen. Tegenwoordig kan zoiets genderneutraal worden opgevat. Gelukkig.


↑ Het rubberen padje onderaan de Bb-klep gerepareerd met visgerei.

De reparateurs die ik in verband met die Bb-klep raadpleegde, stelden mij gerust, want een plastic slangetje, wel van de juiste maat, doet wonderen. Een lange zoektocht (drie groothandels, twee tuincentra, een onderdelenhuis – geen van alle kon mij aan de juiste maat helpen) bracht mij uiteindelijk bij een winkel voor visgerei. Het juiste slangetje lag in een zakje met hengelsnoeraccessoires op mij te wachten. Kosten: € 1,25.


↑ Visgerei om rubberen kraagjes te vervangen; benodigdheden: schaar en pincet.

Een half uur later zat mijn allereerste, door mijzelf gerealiseerde reparatie aan mijn sax erop. Deze klep doet het weer. Mijn vrouw zag het werk met bewonderende zwijgzaamheid toe.

Prima, probleem opgelost en de orde hersteld. We gaan het over muziek hebben. De hierboven beschreven arbeid bracht mij spoorslags op de gedachte dat muziek ontegenzeggelijk bedoeld is om iets moois te creëren. Maar bestaat er ook muziek die… destructief klinkt? Ik denk hier niet aan het werk van Wagner dat zovele Nazi-kopstukken in vervoering wist te brengen of aan de fikkende gitaar van Jimi Hendrix of de dolksteken in het Hammondorgel van Keith Emerson.

Ik ga op zoek naar klanken die de toehoorder op het verkeerde been zetten en deze met afschuw zich doen afkeren van het gespeelde. In mijn eigen vinyl collectie vind ik twee albums van Captain Beefheart And His Magic BandStrictly Personal (Sunset Records SLS 50208, 1968) en Lick My Decals Off, Baby (Straight C 062-92092, 1970). Ik heb ze vlak na hun verschijning gekocht en kon niemand in mijn omgeving ervan overtuigen dat hierop muziek te beluisteren viel. Eerlijk gezegd had ik er zelf ook moeite mee.

Er is weinig voorstellingsvermogen vereist om te begrijpen dat deze band in de beginjaren geen droog brood aan zijn creaties verdiende. De bandleden leden honger, écht honger, en gingen tot diefstal van etenswaren over om het volgende optreden te halen. Dit liep eens uit op een arrestatie en het was Frank Zappa, oud-schoolvriend van Beefheart, die het geld voor de borgtocht voor de band ophoestte.

(Om de volgende nummers te kunnen beluisteren moet je Spotify op je device hebben.) 

Een van de meest intrigerende stukken die ik van Beefheart (echte naam: Don van Vliet) ken, is zijn Woe-Is-Uh-Me-Bop (Lick My Decals Off, Baby; 1970). De tekst kent oneindig veel herhalingen en draait slechts om de volgende vier regels:

Oh, woe-is-uh-me-bop
Om-drop-a-re-bop-om
Oh, everybody’s doin’ it
Please don’t let them ruin it-om


↑ Captain Beefheart & His Magic Band, ‘Woe-Is-Uh-Me-Bop’ (Lick My Decals Off, Baby, 1970).

Waar gaat dit in vredesnaam over? Ritmisch lijkt het stuk een allegaartje te zijn. Je hoort een stel houthakkers een boogie-woogie spelen en om de maat een 6/8 willen inzetten, wat dan jammerlijk mislukt. Of zoiets. Mijn advies: helemaal niet luisteren of minstens tien maal achter elkaar, totdat je in de verte Ornette Coleman hoort.

Ja, mijn mond viel van verbazing open, toen ik op Captain Beefheart Radar Station lijstjes zag circuleren met muzikale inspiratiebronnen. Daar zaten jazzkanjers tussen. ‘Invisible’ in de versie van zowel John Coltrane als Ornette Coleman prijkt hoog in de lijstjes. Coltrane’s ‘Bakai’ staat als een van de eerste genoemd. Het zal de pulserende riff zijn die de captain moet hebben aangesproken.


↑ John Coltrane speelt ‘Bakai’ (Coltrane, 1957; niet te verwarren met de gelijknamige editie van 1962).

Goede tweede is Thelonious Monk met ‘Monk’s Dream. Nu vond ik Monk altijd al op een dominee lijken die van de gemeente niets anders mocht dan braaf op het kerkorgel spelen, maar stiekem in zijn schuur zich uitleefde op een honky-tonk-piano. Naar mijn smaak heeft Beefheart dat ‘hoekige’ van hem duidelijk van master Monk.


↑ Thelonious Monk speelt ‘Monk’s Dream’ (gelijknamige plaat, 1963; op tenorsax: Charlie Rouse).

Even verderop zie ik Cecil Taylor staan met het nummer ‘Song’. Deze eigenzinnige pianist bracht in 1956 het album Jazz Advance uit en misschien is het door hem onherkenbaar gespeelde ‘You’d Be So Nice To Come Home To’ eerder representatief voor een Beefheart favorietenlijstje.


↑ Cecil Taylor speelt ‘You’d Be So Nice To Come Home To’ (Jazz Advance, 1956).

Beefheart speelde zelf altsax, waarmee hij af en toe op zijn platen is te horen. Meer valt er niet over te vertellen. Ornette Coleman is al genoemd met ‘Invisible’, op een alternatief lijstje is een ander nummer van hem te lezen: ‘Eventually’. Het is bijna free jazz. Op een lege maag zou ik er niet naar luisteren…


↑ Ornette Coleman speelt ‘Eventually’ (The Shape of Jazz to Come, 1959).

Zo da’s weer genoeg jazz. Verder houd ik mijn klep.