Was will das Weib?

Van vrouwen had Sigmund Freud geen hoge dunk. Ooit hield hij een serie lezingen over de menselijke geslachtsdrift en de pre-oedipale fase bij met name vrouwen. Ik geloof dat zijn overpeinzingen uiteindelijk hebben geleid tot zijn verzuchting: ‘Was will das Weib?’ De stoelen voor de zalen waar hij het woord tot zijn publiek richtte, vielen niet aan te slepen.

Zijn uiteenzettingen deden steevast de konen rood gloeien, vooral die van de vrouwelijke toehoorders. Vlak vóór de pauze (anderhalf uur onafgebroken naar Sigmund luisteren zou de geest kunnen schaden) deelde hij steeds mee, dat de onderwerpen erná wellicht zó gedetailleerd zouden ingaan op de omgang tussen beide geslachten, dat het vrouwelijk publiek er zich ernstig aan zou kunnen storen. ‘U kunt nu beslissen na de pauze niet weer te keren.’ Iedereen bleef.

Wat hieronder volgt, kan vrouwonvriendelijk worden opgevat. Dat is niet mijn intentie, echt niet. Maar toch, ik tel tot vijf en geef de lezer(es) de kans om met een muisklik naar een andere pagina te gaan.

1, 2, 3… daar zijn we weer. Nader inzien leert dat het aantal vrouwelijke instrumentalisten in de jazz (ik ga gemakshalve voorbij aan het gegeven dat er beduidend meer jazzzangeressen zijn dan -zangers) fors lager ligt dan dat van mannelijke. Nu vind je genoeg meidengroepen die een pop- of rockband formeren. Op YT circuleren filmpjes van jonge dames die virtuoos elektrisch gitaar spelen; zo virtuoos lukt het een Jimi Hendrix niet eens. En verder… een heleboel Candy Dulferkloontjes op feestjes met dj, dancings, beach parties… De klank? Je kunt net zo goed op een melodica spelen. Als je op zoek gaat naar (serieuze) saxofonistes, lijkt een zwaar filter te zijn ingesteld.

Nooit heb ik er bij stilgestaan of het vasthouden van een saxofoon bijdraagt aan je charme of aantrekkelijkheid. Candy Dulfer laat ik buiten beschouwing (en ik zal haar verderop niet meer noemen), maar een saxofoon (de sopraansax daargelaten) voor de buik van een vrouw ‘kleedt niet af’. Dat is míjn smaak althans.

Drie keer heb ik meegeoefend met een big band. Rechts op de voorste rij speelde naast mij een jonge vrouw op de baritonsax. Ze woog nog geen 60 kilo, maar het lukte haar moeiteloos de pulserende riffs uit de hoorn te persen. En toch… een bariton voor je buik, het is alsof een volbepakt muildier voor een tiendaagse tocht over de Nepalese bergen staat.

Ik overdrijf vast en zeker. Wat te denken van Céline Bonacina, winnares van diverse prestigieuze prijzen. Zij speelt klassiek én jazz, voornamelijk op baritonsax. Zij is slechts anderhalf keer zo groot als het instrument waarop zij is gespecialiseerd.



↑ Céline Bonacina speelt ‘Tôty come Bach’ (intro) en ‘Ra Bentr’ol’.

Het is mij ook opgevallen dat vrouwen vaak met een underbite, de stand van de onderlip over de ondertanden, bijna zoals klarinettisten die toepassen, gigantisch op het riet lijken te knijpen. Zij vatten het hebben van embouchure ernstig op. Het schijnt dan ook dat het zoenen met een saxofoniste een meer dan bijzondere ervaring is. Ik kan dit niet bevestigen; mijn vrouw speelt geen saxofoon.

Meestal verenigen vrouwen zich in combo’s, er zijn amper solistes. De Quadraphonnes maken ‘music of many flavors, always spicy!’ Ze bevestigen mijn oordeel uit de vorige alinea: flinke kneep, bolle wangen, stevig spel, klarinettistenembouchure. De baritonsaxofoniste doet misschien een verwoede poging Ronny Cubers intro op Moanin’ (Charles Mingus, Blues & Roots, 1960) te benaderen.



↑ The Quadraphonnes spelen ‘Just The Two of Us’.

Het moge duidelijk zijn: ik heb iets tegen bolle wangen tijdens het spelen. Laat die wangen weg! Ik moet telkens denken aan Pallas Athena die de panfluit uitvond en er prachtig op kon spelen. Dat deed zij, totdat zij zich tijdens het spel weerspiegeld zag in het water. Zij vond dat de bolle wangen haar misstonden en wierp haar uitvinding weg, als afdankertje voor bosgod Pan.

Wie denkt dat Japanners slechts in twee dingen uitblinken, honkbal en auto’s bouwen, heeft het mis. In een vergevingsgezinde bui (mijn familie is op Java geboren) wil ik wel eens naar door hen gespeelde jazz luisteren en werd aangenaam verrast door Saori Yano (zij speelt haar eigen compositie ‘Greenism’). Wie het niet mooi vindt klinken, geef ik geen ongelijk: Aziatische, technische perfectie baart een bepaalde mate van kilheid.

(Om de volgende muzieknummers te kunnen beluisteren moet je Spotify op je device hebben.)

We gaan nu de goede kant op. Tia Fuller, altsaxofoniste, was lid van de all-female band van Beyoncé. Zij heeft op de cover van Saxophone Today (maart 2014) gestaan. Dan moet je wat in je mars hebben. Ik laat haar (ook gezongen) interpretatie van ‘Body & Soul’ (Angelic Warrior, 2012) aan het oordeel van de lezer.

Het spel van Jane Ira Bloom zag ik door Grego Applegate Edwards (componist/musicus/recensist; in zijn blog heeft hij naar eigen zeggen 3000 albums gerecenseerd) bewierookt met de woorden “A master of the soprano sax…the sort of player easy to identify in a blindfold test, because she is a school of one.” Nou ja, zeg. Het citaat komt van haar eigen website.

Nu word ik enthousiast, ook al gaat het niet over een saxofoniste. Mary Halvorson is zo’n rijzende ster aan het firmament van de hedendaagse jazz. Zij is gitariste, maar haar gitaarspel kan mij op andere albums van haar niet erg bekoren. Met haar Octet heeft zij dit jaar het album Away with You uitgebracht, waarop zij haar vakkundigheid in het arrangeren duidelijk laat horen. Luister niet alleen naar het onderstaande titelnummer, de rest van het album verdient beslist ook aandacht.

Mijn volgende keuze pakt het groots aan. David Bowie’s laatste krachtsinspanning is zijn album Blackstar, uitgebracht 8 januari 2016, twee dagen voor zijn dood. Het nummer ‘Sue (Or In A Season Of Crime)’ kan ook beluisterd worden in een versie met het orkest van Maria Schneider. Ik ben geen fan van Bowie. Nou, vooruit, laat ik dit een halve parel noemen.

Vrouwen in de jazz, het kan zeker nog goed komen. Wij, mannen, zijn gewaarschuwd!

Stolen moments

Eens had ik mij een racefiets aangeschaft, in een tijd dat het nog niet zo modieus was als amateur er een te hebben. Ik reed er niet zo hard mee, maar voor mijn doen wel ver. Op een keer vertrok ik voor een weekend van de plaats waar ik studeerde, naar het ouderlijk huis. De vuile was ging in een rugzak en ik zette dapper af.

Het was niet zozeer de zadelpijn, eerder de mentale deceptie de laatste kilometers niet te halen, die mij sloopte. Het biertje waarop ik mijzelf, met nog een kwart van de afstand voor de boeg, trakteerde, wil ik onvermeld laten. Toen het weekend voorbij was, besloot ik met de trein terug te reizen. De fiets werd in de berging, op de begane grond van de woonflat, opgeborgen. Moeder vond een fiets op de slaapkamer géén gezicht.

Vier dagen later kreeg ik een telefoontje. ‘Jongen, er is bij ons ingebroken en je fiets is gestolen.’ Het waren de dagen dat de politie snel haar werk deed. Binnen een week hadden zij mijn tweewieler boven water (met de dader). De dief had de fiets echter naar eigen smaak ‘aangepast’ en ik vond het ding ineens te vies om aan te raken. Voor een zacht prijsje wisselde deze van eigenaar.

Over fietsen gesproken: die kom je niet vaak tegen in de jazz (‘Bicycle’ van popgroep Queen sla ik over). Dave Brubeck heeft het kinderliedje ‘Daisy Bell’ (Harry Dacre, 1892) bewerkt tot zijn ‘Bicycle Built for Two’ (Quiet as the Moon, 1991):

 

Ik denk niet dat ik zo gemakkelijk van mijn sax afstand zal doen, als die ontvreemd wordt en ik hem weer in handen krijg. Daarvoor raak je te veel gehecht aan de sound en de ‘feel’ van het instrument, waarmee je in de loop van de tijd één bent geworden. Ik ben niet de enige, want links en rechts lees je berichten over gestolen saxofoons en hun bezitters die ontredderd achterblijven. Het verlies aan financiële waarde is groot, maar een even zo grote rol speelt de emotionele waarde.

Het is soms ook niet mis wat ‘zoek’ raakt. Er zijn musici die dubbelen en voor een optreden een uitgebreid instrumentarium meezeulen. Iemand verloor door diefstal (gelezen op saxforum.nl d.d. 26-2-2016) een altsax Selmer Mark VI uit 1959, een baritonsax Selmer Mark VI uit 1962 en een tenorsax Buescher Aristocrat uit 1976. Dat is toch een buit van om en nabij € 15.000-.

Meldingen over zo’n diefstal laten zich lezen als heuse rouwadvertenties.

“Tot mijn groot verdriet is geheel onverwacht, als gevolg van een autoinbraak, afgelopen zaterdag in het centrum van de stad, mij ontvallen mijn dierbare zwart gelakte Selmer (USA) Bundy tenor, met chromen kleppen en applicatuur. Het beestje was oud, maar nog zeer levenslustig.”

Het zijn vaak de onbewaakte momenten, waarop de verdwijning plaatsvindt. Concerten in een kroeg of op een ‘cosy’ plek zijn vaak boosdoener. De omgeving is sympathiek, je krijgt een biertje en je staat na de gig met de rug naar je instrument. Carnavalsfeesten scoren ook hoog, als het om verdwijningen van een instrument gaat. Tot mijn geluk ben ik geen carnavalsganger.

De dieven bij bovengenoemde gelegenheden kun je nog enig verstand van zaken toedichten. Bij woning- of autoinbraken blijkt vaak dat ze niet hebben geweten wat zij meenamen. Het afzetten van het gestolene wordt een lastige klus voor de stroper, want het instrument heeft een serienummer. Aanbiedingen op Marktplaats van instrumenten zonder vermelding van serienummer zijn daarom per definitie verdacht.

Zinvol is de diefstal niet altijd. Die van 9 oktober 2013, tussen één uur en 20 over één ‘s morgens op de Place de l’Ange in Namen, is onbegrijpelijk. Twee jonge vrouwen hebben de trompet gestolen van het engelenbeeld op het stadsplein. Beelden van hun actie zijn op een bewakingscamera vastgelegd. Op hun buit (het is geen trompet, zoals het politiebericht laat weten, maar een bazuin) valt niet eens te spelen.

Het kan tragischer. Een vrouw uit Evergem doet een emotionele oproep naar getuigen van een schaamteloze en respectloze diefstal op het gemeentelijk kerkhof. Haar man kwam om het leven bij een arbeidsongeval. Hij speelde bijzonder graag trompet en daarom liet zij voor hem een heel persoonlijke grafzerk ontwerpen. Onder een glazen stolp verwerkte ze de originele koperen trompet van haar man. Die trompet viel op en maakte de grafzerk uniek. Een dief heeft daaraan een eind gemaakt.

Niet alleen amateurs maken dit leed mee, ook professionals ontkomen er niet aan. Jules Deelder zegt over de Parijse jazzclub Le Chat Qui Pêche: „Daar werd de trompet van Chet Baker nog een keer gestolen.” De trompet van de Nederlandse jazzmusicus Jarmo Hoogendijk is tijdens de open dag van het Rotterdams Conservatorium verdwenen. Het vermissingsbericht maakt melding van een nikkelen instrument dat herkenbaar is omdat ‘het stemschuifje bij het eerste ventiel, de trigger, is verwijderd’. Als je kat zoek is, wijs je op zijn kenmerkende navelbreuk…

Roy Hargrove trad in 2000 op in de Scullers Jazz Club in Boston (onderdeel van het Hilton, zie onderaan pagina) en was meteen zijn trompet kwijt. De dief bleek al gauw spijt te hebben van zijn daad en deponeerde het goed in een plastic zak bij de bosjes voor het pand. Een vriend van hem belde voor de zekerheid naar de club: of ze de toeter al terug hadden gevonden?

Louis Armstrong heeft op één uitzondering na altijd op een Conn gespeeld, een best merk. Anecdotisch is het lot van zijn eerste trompet die hij in 1926 in een hotel in New York kwijtraakte. Dertig jaar later zou hij het bij een pandjesbaas hebben zien liggen. Je eerste liefde vergeet je nooit.

Op 8 februari 1947 was de volgende trompet aan de beurt. Een paar uur voor een optreden in de Carnegie Hall (NY) had een onverlaat zijn slag geslagen. Het concert kon doorgang vinden, omdat Louis de trompet van een bevriende musicus kon lenen. Zijn toon had er niet onder te lijden, want hij had nog wel zijn eigen mondstuk dat hij altijd bij zich droeg, wanneer hij niet speelde.

Over herkennen gesproken. Joe Henderson vertelt hoe een leerling bij hem een les volgde en vol trots zijn nieuwe sax toonde, een Selmer Mark VI. De lage b-klep liep stroef en Joe werd gevraagd een keer op de sax te spelen. Hij zat er niet om te springen; hij was nog bedroefd om het verlies van zijn eigen Mark VI, enkele jaren terug. Wat hij nu in de handen gedrukt kreeg, voelde wel heel vertrouwd aan: losspringend schroefje, bekende vlekken, die toon… Dat was zíjn instrument!

Ik zou het bijna vergeten: Lous Armstrong is een hoekje gegund in het Hollywood Wax Museum. Hij staat er stijfjes een c-tje te blazen. De gretige museumbezoeker die de toeter van het beeld heeft gewrongen (Louis mist een aantal vingers) had verstand van zaken. De trompet had waarde, want hij was vergelijkbaar met het laatste exemplaar waarop ‘Satchmo’ blies.

Over de diefstal van de sax van Dexter Gordon gaan de wildste geruchten. Deze zou in 1961 gestolen zijn op een luchthaven in Parijs. Het was een Conn 10M. Hij schaft zich daarna een Selmer Mark VI aan, de grote mode. Maar op opnames uit 1964 zie je hem nog steeds (of weer) op een Conn 10M spelen (te herkennen aan de brug onder de hals en de positie van de lage kleppen links van de beker).

Een andere lezing wil dat Gordon zijn komst in Parijs wilde ‘vieren’, zijn spullen (Conn + Dukoff mondstuk) in de hotelkamer achterliet en meteen het nachtleven introk. Het avondje stappen kostte hem een stuk van zijn geheugen en Dex wist niet meer in welk hotel hij was ondergebracht.

Laat ik alle hierboven beschreven ellende beëindigen met iets moois, met misschien een toepasselijke titel…

↑ Fragment uit ‘Stolen Moments’ door het Oliver Nelson Septet (The Blues and the Abstract Truth, 1961; fragment).

Laatste noten

Vanwege ontstoken bijholtes heb ik laatst mijn huisarts bezocht. Het viel allemaal wel mee, vond hij. ‘Kan het echt geen kwaad? Ik speel saxofoon.’ Zijn gezicht betrok. Na enig aandringen bekende hij van vele saxofonisten te weten dat die aan longembolie leden. Zo kan het wel weer. Een slecht gebit lijkt mij al een regelrechte ramp voor een bespeler van een blaasinstrument, laat staan ademnood.

Thuis heb ik mij na een paracetamolletje verdiept in de laatste levensuren van diverse jazzgiganten. Longembolie ben ik zo gauw niet tegengekomen, wel de te verwachten diverse soorten van verslaving. Hoog is verder de correlatie sax vs. ongeluk uit onverwachte hoek.

Een selectie …

Leon Brown Berry (1908-1941), meer bekend onder de naam Chu Berry, speelde oorspronkelijk op altsax. Zijn bijnaam dankt hij aan zijn Aziatisch uiterlijk (‘Chen-Chau Chu’), volgens anderen ook aan de kauwende (‘chew’) beweging met zijn kaken als hij aan het spelen was. Als tenorist speelde hij op een Conn Transitional. De New Wonders Series II uit de fabriek van Conn heeft om onopgehelderde redenen de alias ‘Chu Berry’ gekregen, terwijl Chu hierop nooit heeft gespeeld.

De combinatie saxofonist en vierwieler is niet altijd een gelukkige geweest. Chu was lid van de Cab Calloway Band en met enkele andere leden van de band voor een optreden op weg naar Canada. De auto raakte in een slip en belandde tegen een pijler van een brug. Dat was maandag 27 oktober 1941. Drie dagen later is hij in het ziekenhuis overleden.

Chu had een compacte stijl van spelen; hij had genoeg aan acht maten om een prachtige lijn neer te zetten, precies iets wat je in een band van grotere bezetting kon gebruiken. Een van zijn laatste opnames is ‘Blowing Up a Breeze‘ (28 augustus 1941).

Charlie Parker (1920-1955) was net 16, toen hij bij anderen in een auto op 31 oktober 1936 (Allerheiligen, Halloween) werd aangereden. De morfine die de artsen voorschreven om pijn aan rug en ribben te stillen, is hij blijven gebruiken. De morfine is heroïne geworden en hij is er nooit meer vanaf gekomen. Hij was slechts korte tijd clean na afgekickt te zijn in het Camarillo State Mental Hospital (Ventura County, California).

In die periode componeerde hij ‘Relaxin’ at Camarillo’. In de weekeinden had hij vrij af en ging hij weer optreden. Hij trad toe tot de band van Dizzy Gillespie die naar Los Angeles was gekomen. De verleiding van druggebruik was groot, maar je kon in het westen er moeilijker aan komen dan in New York. Excessief drankgebruik was het alternatief.

Over aanrijdingen gesproken… Ik kan mij Dizzy Gillespie met zijn lichaamsbouw niet voorstellen op een fiets, maar die ene keer dat hij fietste, werd hij aangereden. Naar eigen zeggen heeft hij daarna de hoge Bb niet meer kunnen blazen, maar dit terzijde.

Charlie’s laatste opname schijnt ‘I Love Paris’ (Charlie Parker Plays Cole Porter, 1954te zijn geweest en dateert van 10 december 1954. Hij stierf drie maanden later.
(Om de onderstaande muziek te kunnen beluisteren moet je Spotify op je device hebben.)

John Coltrane (1926-1967) had zo zijn nukken. Tamelijk onschuldig, maar wel zeer ergerlijk was zijn gewoonte om tijdens studiosessies op het laatste moment met nieuwe stukken te komen (zo ook bij Giant Steps). Het dreef zijn medemusici tot wanhoop. De andere kant van Trane was zijn toenemende afhankelijkheid van drugs. In 1957 is hij om die reden door Miles Davis uit zijn kwintet gezet. Het moet worden toegegeven: Coltrane kon hard voor zichzelf zijn. Na een maand cold turkey schijnt hij de laatste jaren van zijn leven schoon te zijn geweest (en heeft hij volgens velen nog prachtige albums gemaakt). Zijn vroege dood kwam alsnog onverwacht. Te laat onderkende hepatitis is uitgemond in onherstelbare leverkanker.

Coltrane speelde op zijn laatste album alleen onder begeleiding van drummer Rashied Ali. Nou ja, begeleiding… Het is free jazz en de twee spelen bijna letterlijk op twee gescheiden sporen. Het is of hij in die interstellaire wandeling zijn laatste adem uitblaast. De laatste sax, een Selmer Mark VI (bouwjaar 1965; voor de beste exemplaren uit Selmers stal moet je enkele jaren eerder zijn) is door zijn zoon Ravi gedoneerd aan het National Museum of National History (‘Smithsonian’) in Washington. Het ligt daar te liggen en wordt niet meer bespeeld.

Eric Dolphy (1928-1964) leidde vanaf zijn dertigste – zijn doorbraak kwam in 1958 – een intensief zwervend bestaan. Zijn laatste tour maakte hij als lid van het sextet van Charles Mingus en bracht hem in Europa. Na een concert in Oslo besloot hij te blijven (hij had een serieuze relatie gekregen met een danseres in Parijs). Hij heeft zelfs even met Mischa Mengelberg en Han Bennink opnames gemaakt in Hilversum!

Korte tijd later verbleef hij in Berlijn, waar hij plotseling in een coma geraakte. Zonder het te weten was hij zwaar diabetespatiënt. Volgens een van de vele lezingen hebben de doktoren in het ziekenhuis waar hij was opgenomen, geen actie ondernomen. De zoveelste jazzmusicus met een drankprobleem of overdosis aan heroïne… laat hem maar uitslapen, moeten zij hebben gedacht. Mocht ik ooit Berlijn aandoen op 29 juni, zal ik een rouwbandje om mijn arm dragen.

Dolphy’s laatste album was Out to Lunch! Bij mijn weten is er vóór 1964 geen jazz gespeeld met de basklarinet als leading instrument.

Chet Baker (1929-1988) deed ervaring op als trompettist in militaire bands. Hij is een typisch vertegenwoordiger van de West Coast sound. Hij viel ook op door zijn zangkunsten. Hij had een zwoele stem en beschikte over de goede timing – zijn James Dean look deed de rest. Hij kon een filmrol krijgen, maar gaf de voorkeur aan een bestaan als trompettist on the road. Een uit de hand gelopen ruzie op straat heeft hem zijn voortanden gekost, maar Chet was een doorzetter en herwon zijn embouchure na implantatie van een nieuw gebit.

Zijn eerste aanraking met hard drugs in 1957 is een keten gebleken voor de rest van zijn leven. In 1960 belandde hij, betrapt op het gebruik van een overdosis aan heroïne, in Italië in de gevangenis voor de duur van een jaar. Sinds 1956 kwam hij regelmatig in dat land. In 1958 ging hij op tournee met een viertal jazzmusici uit Lucca, waar hij regelmatig kwam. Als hij daar was, logeerde hij in Albergo Universo, kamer 15. Hij had de gewoonte om, gezeten in de vensterbank, de mensen op de Piazza Napoleone met een solo te verrassen.

Dat van die vensterbank had hij misschien beter kunnen laten. Op 13 mei 1988 werd zijn lichaam met verbrijzeld hoofd aangetroffen op de stoep voor Hotel Prins Hendrik, in Amsterdam. Hij zou op zijn kamer, vol heroïne en cocaïne, frisse lucht hebben gewild en bij het openen van het venster zijn evenwicht hebben verloren. Kamer 210 valt nog steeds te boeken, maar ik zou er niet rustig slapen.

Zijn laatste opnames staan op My Favourite Songs Vol. 1 & 2. Dit is zijn versie van ‘Tenderly (Walter Gross, 1946; begeleid door Radio Orchestra Hannover).

Lee Morgan (1938-1972) spant naar mijn smaak de kroon, voor zover je dat mag zeggen bij sterfgevallen. Hij was 19 jaar oud, toen hij in 1957 mocht meespelen met Hank Mobley (Jazz Message Nr. 2) en John Coltrane (Blue Trane). Met Art Blakey is hij voor het eerst te horen op Drums Around the Corner (1958). Wie in die jaren niets in Miles Davis zag, kwam uit bij Lee Morgan. Hij bleek een zeer productief musicus, die ook veel eigen stukken schreef.

In de nacht van 19 februari 1972 had hij een gig in Slug’s Saloon, New York City, waar hij het met een chanteur aan de stok kreeg. Voorafgaand aan zijn optreden belde hij zijn vrouw op om, mét vuurwapen, snel te komen, want het zou wel eens uit de hand kunnen lopen. Het liep met een sisser af, want tijdens de pauze keerde de rust weer en was een charmante dame aan Morgans tafel aangeschoven. Dát was zijn vrouw te veel en jalouzie deed haar de trekker overhalen.

De wegen waren door zware sneeuwval slecht te berijden en de ambulance kwam te laat, want aangekomen in het ziekenhuis was Lee Morgan letterlijk doodgebloed.

Prachtige albums zoals The Cooker (1957), Candy (1957), Expoobident (1960), Sidewinder (1963), Cornbread (1965) en vooral The Procrastinator (1967) zullen geen vervolg krijgen.

Hieronder zie je hem live Moanin’ (Bobby Timmons, 1958) spelen. Het is 1961.

Genoeg ongelukken. Ik houd het bij een laatste.

Bob Berg (1951-2002) begon als een echte hard bopper onder pianisten Horace Silver en Cedar Walton. Met Miles Davis heeft hij op één album gespeeld: You’re Under Arrest (1985). Kort hierop ging hij zijn eigen weg. Hij is herkenbaar aan zijn stevig geluid en snelle spel.

Die snelheid had hij niet, toen hij samen met zijn vrouw in zijn auto op weg was naar huis. Zij werden verrast door een vrachtwagen met een lading cement. Misschien had hij het ongeluk overleefd als hij zijn veiligheidsriem had omgedaan. Zijn laatste album heet Jazz Times Superband (2000). Hij speelt er samen met Randy Brecker (t), Dennis Chambers (dr) en Joey DeFrancesco (hammondorgel).

Longembolie, tja. Ik ga nu mijn holtes behandelen en met mijn hoofd onder een handdoek boven een stoombad hangen.