Hide and Seek

Wie aan de saxofoon begint, heeft een dankbaar instrument in handen genomen. Tijdens je eerste les komt na een aantal pogingen het eerste geluid al uit de hoorn. Het eenvoudigst is om op de lage G een poging te doen geluid te maken. De leerling glundert bij zijn eerste creatie, de docent onderdrukt – hij is professional – een reactie van ontzetting. Het klinkt niet.

Niet getreurd, je bent vijf jaar en vele studieuren verder en de toon begint een beetje te dagen. Hopelijk. Verstoppertje spelen met de saxofoon, dat lukt niet. De toon verraadt onmiddellijk de kwaliteit van de saxofonist. ‘Kale’ opnames (sla die samples met veel echo over) op Youtube of Soundcloud kunnen het niveau van de speler op pijnlijke wijze blootleggen.

Dat laatste geldt om andere redenen ook voor gearriveerde grootheden. Naar Sonny Rollins kijken en vooral luisteren tijdens zijn optreden in het Vienna Jazz Festival (editie 2011) is gênant. Sonny moet dan 81 jaar oud worden en dat is hem af te zien. Het door hem gespeelde “Don’t Stop the Carnival” (gevolgd door “Tenor Madness“) doet zeer aan ogen en oren. Het is niet te vergelijken met zijn spel in zijn oorspronkelijke versie (What’s New?, 1962). Misschien is het laatste wat nog mooi uit zijn sax klinkt, zijn werk op het album Don’t Ask (1979).

Van Michael Brecker (1949-2007) kan hetzelfde worden opgemerkt: de oude is de jonge niet meer. Niet ouderdom, maar noodlottige ziekte (MDS en daaropvolgende acute leukemie) is hiervan de oorzaak geweest.


↑ Michael Brecker in de kracht van zijn jaren speelt live
‘My One and Only Love’ (Guy Wood & Robert Mellin, 1952).

Brecker heeft het tot het eind toe volgehouden. Ziek en verzwakt heeft hij Pilgrimage in 2007 uitgebracht samen met John Patituci, Jack DeJohnette, Pat Metheny, Brad Mehldau en Herbie Hancock. Zijn lage tonen en befaamde altissimo’s klinken minder overtuigend. Toch… menig saxofonist zou voor dat niveau tekenen…
(Om de volgende track te kunnen beluisteren moet je Spotify op je device hebben.)

Moeten wij ons zorgen maken om Joshua Redman? De laatste tijd is zijn spel voornamelijk zwalkend. Het robuuste van zijn jonge jaren is er af. Hij was 30 jaar oud en stak in blakende vorm om de volgende versie van zijn compositie ‘Hide and Seek‘ (eerste track van Freedom in the Groove, 1996) live ten gehore te brengen:


↑ Joshua Redman 5tet, Nürnberg, 1996.

Het publiek mag dan wel zijn optreden in Moskou (februari 2011) met veel applaus begeleiden, laag en hoog komen niet meer zo indrukwekkend over. Zijn slap-tonging, zo typerend voor de intro van ‘Hide and Seek‘, bevat geen souplesse meer. Het kan aan de kwaliteit van de (amateur)opname liggen. Het spelen van dit nummer met een ebonieten mondstuk, waar in de jaren ’90 Redman op een Florida Otto Link blies, is van invloed op zijn geluid. De laatste tijd is hij weer gesignaleerd met een metalen exemplaar. Het lijkt erop alsof zijn geluid verpest is door het vorige ebonieten mondstuk. Niet te vaak wisselen, Joshua…

Vingers

Tijdens het spelen heb je met je blaasinstrument contact met je mond en met je vingers. Over het tweede gaan wij het hebben. Het gebruik van je vingers op de saxofoon vergt bij de studie veel aandacht.

De wijze waarop je de kleppen indrukt en loslaat, bepaalt welke (hoogte van de) toon je voortbrengt. Dit spreekt voor zich. Laagste noot is de Bb (concert Ab); hoogste noot is de hoge F (of F ‘3). Moderne saxofoons zijn voorzien van een hoge F#-klep, onderin te bedienen met de rechterhand. Op oudere en misschien meer gewilde saxofoons (King, Martin, Selmer Mark VI) moet je met een hulpgreep de hoge F# blazen.

Het kan zijn dat deze instrumenten lekkerder klinken, omdat er een boring en een as minder op de romp zijn aangebracht. Zelf gebruik ik de hoge F#-klep (ik speel op een modern instrument) nooit en heb de toets met een kurkje geblokkeerd; bij vergissing indrukken levert dan geen lekkende klank op. Bijkomend voordeel bij het toepassen van de hulpgreep is dat de overgang naar de hoge G vloeiender wordt.

De noten voorbij de hoge F worden altissimo’s genoemd. Die zijn bijna niet zuiver te krijgen en goede saxofonisten zijn o.a. aan hun spel in het altissimo bereik te onderscheiden. Ik ben ooit begonnen op dwarsfluit en dat heeft mij een beetje geholpen met de grepen voor de altissimo’s. Die grepen namelijk zijn in het vierde register niet logisch en het kost in het begin heel veel tijd ze door te krijgen. Bovendien kan de vingerzetting per instrument verschillen. Op het IN circuleren diverse zgn. fingering charts.

Berucht is de hoge G (G ‘3 dus). Altissimo A, Bb, B en C zijn snel onder de knie te krijgen, de G# wat minder. Maar de altissimo G spant de kroon. Iemand deed het mij voor hoe die aan te leren: front-F-toets en rechterhand Bb-toets tegelijkertijd indrukken (de standaard greep voor altissimo G). Groot is de kans (met de juiste stand van tong en strottehoofd, dat wel) dat er een altissimo C uit komt. Nu aanhouden en met je embouchure en keel de toon laten zakken. Als het je meezit, heb je de altissimo G (soort van) een paar dagen later in de vingers.

↑ Intro (fragment) van Caravan door Joshua Redman (North Sea Jazzfestival 1994); thema gespeeld in altissimo’s.

De manier waarop je vingers de kleppen bedienen, bepaalt ook de snelheid van je spel. De valkuil is nu om als beginner lekker vlot te spelen en met die vingers wild te keer te gaan. Fout! En dat om twee redenen. Ten eerste moet je alles langzaam instuderen, zodat je vingers weten waar, wanneer en hoe lang zij op het instrument moeten ‘landen’. Snel vingerwerk verdoezelt matig spel, wat misschien juist de bedoeling is. Het wordt er echter niet beter van.

Ten tweede beïnvloedt het wilde vingerwerk de accuratesse, maar vooral de snelheid waarmee je speelt. Wild vingerwerk lijkt snel, maar is dat niet. Een goede saxofonist herken je aan de relatief geringe bewegingen van de vingers. Vooral de vingers van de linkerhand hebben snel de neiging bij de handpalmtoetsen (D ‘3 en hoger) alle kanten op te vliegen. Rustig gebruik ervan vereist vele oefeningen.



↑ Dexter Gordon was onberispelijk in zijn vingerzetting; let bijv. op de minieme bewegingen van zijn linkerhand in Night in Tunesia (1964; muziek start vanaf min. 1:58).

Zelf sta ik voor een spiegel (dit is zéér aan te bevelen, het helpt je in alle opzichten je houding, stand van je mond enz. te verbeteren) en let op wat mijn linkerhand doet. Een mooi moment om de ijdelheid te dienen.