Space Is The Place

Tijdens mijn vakantie in het land van de pasta’s kwam ik op het internet sites tegen die de spaghetti op heel eigen wijze heilig verklaren. De makers zijn ‘pastafarians’ en allen leden van een kerkgenootschap dat het geloof predikt in piraten als goddelijke wezens. De nederlandse tak noemt zich de ‘Kerk van het Vliegend Spaghettimonster‘.

Anders dan de Bijbel voorschrijft, houden de geloofsgenoten zich niet aan tien geboden, maar aan acht ‘liever-nietjes‘. Een voorbeeld. Liever-nietje nr. 5 luidt:

‘Ik heb echt liever niet dat je discussieert met gehersenspoelde, vooringenomen, akelige mensen op een lege maag. Eet eerst en maak dan gehakt van ze.’

Tijdens hun samenkomsten wordt een thema kort besproken. Een dienst eindigt steevast met het verorberen van een pastamaaltijd. Er is geen kledingvoorschrift, alleen het hoofddeksel is verplicht: een vergiet.


↑ Het rijbewijs van ‘pastafarian’ Sean Michael Corbett, met vergiet op.

Het hierboven beschrevene kan nauwelijks op enige serieuze reactie rekenen. Piraten zijn een verdwijnend verschijnsel (volgens de ‘pastafarians’ trouwens een belangrijke oorzaak van ‘global warming’) en er zijn betere hoofddeksels te bedenken om te getuigen van slechte smaak. De spaghettislierten zijn overigens ontleend aan de haarstrengen van de monsters uit de ‘Pirates of the Caribbian’.

Niettemin… wat dom oogt, kan zo zijn diepere en meer doordachte kanten hebben. Het begon naar het schijnt met open briefschrijver Bobby Henderson die in 2005 zijn zorgen liet blijken over het gebrek aan vrijheid van educatie. Als intelligent design voortaan op de Amerikaanse scholen tot het curriculum mocht behoren, waarom dan ook niet andere inzichten?

Het dragen van een vergiet is gaandeweg symbool geworden voor vrijheid van geloofsovertuiging. Dit kan ver gaan, getuige de uitspraak van de rechter in Den Bosch van begin dit jaar (zie nu.nl d.d. 15-2-’17). Een Eindhovenaar wilde mét vergiet op de pasfoto van zijn rijbewijs, maar dit werd door de burgervader geweigerd. De rechter gaf hem gelijk met als belangrijkste argument, dat het nieuwe geloofsgenootschap niet voldoende serieus overkwam.


Monk’s Dream (voorkant hoes) van Thelonious Monk met zijn karakteristieke Pork Pie Hat.

Het lijkt mij, als schrijver over jazzmuziek, niet verstandig om in deze kwestie stelling te nemen, alleen al vanwege het feit dat een vergiet mij niet staat. Wel wil ik mijn mening verkondigen over hoofddeksels in de jazz in het algemeen (ik heb het elders al eens gedaan). Ik ken genoeg jazzmuzikanten die denken met een hoofddeksel c.q. zonnebril op beter te spelen. Foute boel. Je sound komt niet uit een hoedje of trendy montuur, uitzonderingen daargelaten, want Thelonious Monk is van de buitencategorie en Joe Lovano wil ik het ook wel vergeven…


↑ Joe Lovano met hoed (bron: cleveland.com).

Het hoedje op het hoofd getuigt m.i. van aanstellerij en draagt niets bij tot beter spel. Spéél dan liever muziek die over een hoofddeksel gaat. Dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan. Ik ken maar één jazznummer dat over een hoed gaat, maar dat nummer mag er ook zijn…

(Om de volgende nummers te kunnen beluisteren moet je Spotify op je device hebben.) 


↑ Charles Mingus, ‘Goodbye Pork Pie Hat’ (Ah Um, 1959).

Wat hoofddeksels betreft is er één band die alles slaat: het Sun Ra Arkestra. De vliegende spaghettimonsters zijn niets vergeleken bij de bandleden van dit samenraapsel muzikanten. Het huidige orkest houdt de traditie in stand van Sun Ra’s oorspronkelijke band, begonnen aan het begin van de jaren ’50 van de vorige eeuw. In navolging van hun geloofsleider spelen zij extrastellaire muziek (Sun Ra kwam naar eigen zeggen van Saturnus). Hun leading tune is ‘Space Is The Place’.


↑ ‘Space Is The Place’ in een modern jasje door het Ezra Collective (single uit 2017).

Samenraapsel, dat woord moet ik intrekken. De muzikanten in de oorspronkelijke Sun Ra Arkestra waren geen kleine jongens. Het orkest deed in 1980 muziekcentrum O’42 in Nijmegen aan en het was een imposant feest. Onder pulserende akkoorden schreed de meester zelf de zaal binnen, alsof hij zojuist uit zijn ruimteschip was gestapt. Na het eerste nummer verontschuldigde hij zich bij ons, enthousiast publiek, want zijn bassist was ziek geworden (ruimtegriepje) en the Sun moest alle baspartijen met zijn linkerhand opvangen. Uit het vervolg van de voorstelling bleek dat het hem geen enkele moeite kostte.


↑ Sun Ra zonder bassist in O’42, Nijmegen 1980; dat hoofd rechts van zijn neus, dat ben ik, ik was erbij!

Eerlijk gezegd vond ik de orkestleden als apen in een circusact uitgedost. De muziek was bij vlagen geniaal. Mijn herinneringen? John Gilmore († rip) speelde prachtig op tenor en Marshall Allen (in de negentig en nog steeds lid van de band) sloeg op z’n alt erop los met zwaaiende armbewegingen en spoot een half potje olie leeg over zijn troetelkind.

Wie de toenmalige trompettist was, weet ik niet, maar de man presteerde het om vijf minuten lang onafgebroken de hoge C te blazen. Dat was de eerste keer dat ik iemand live circular breathing zag toepassen. Daar bleef het niet bij, want hij was op een kruk gesprongen, stond op één been, het andere in een rechte hoek ten opzichte van de rest van het lichaam. Hoofddeksels vlogen door de lucht. De zaal zette het op een joelen.


↑ Sun Ra & His Arkestra speelt ‘Call For All Demons’ (Jazz by Sun Ra, 1955).

Zou het dan toch…? Maken hoofddeksels wél het verschil…? En nog iets: het Real Book vol. 1 5th edition opent met ‘A Call For All Demons’ van… Sun Ra. Zelf ben ik zo vrij geweest de versie van The Philadelphia Experiment met mijn eigen solo op tenorsax te overdubben (sorry Christian McBride!). Dat ging zonder hoedje.

Morgen schrijf ik De Kerk van het Vliegend Spaghettimonster aan met de vraag of ik hun dienst muzikaal mag opluisteren met ‘A Call For All Demons’. Ik ben bereid ervoor een vergiet op mijn hoofd te zetten.

Postscriptum 1: de Volkskrant van 16 november 2017 bericht over promovendus Michael Afanasyev, die van de TU Delft zijn proefschrift niet mag verdedigen in piratenkledij en met een vergiet op het hoofd… 

Postscriptum 2: verweer van Michael Afanasyev in de Volkskrant van 1 december 2017.

Beren op de weg

Een tijd terug hoorde ik een grap over een jager. De beste man stond aan het begin van zijn carrière en had nog veel te leren. Tegen beter weten in begaf hij zich de allereerste keer in z’n eentje op pad en kwam direct oog in oog te staan met een indrukwekkende grizzly, een van de slimme soort. De jager legde aan en dacht een raak schot te hebben afgevuurd.

Het monster viel theatraal om en hield zich dood. Onze held dacht de buit binnen te hebben en stapte op het slachtoffer af, dat springlevend bleek en zijn belager na een flink pak rammel verder met rust liet. Dit ritueel herhaalde zich enkele dagen, wat de beer de opmerking ontlokte (in grappen kunnen de dieren praten): “Vriendje, volgens mij vind jij andere dingen dan jagen nóg leuker.” Er volgde een zoveelste pak rammel.

Het verhaal doet mij denken aan Jack Purvis (geboren 11 december 1906), een van de weinige jazzmusici met een vliegbrevet. Jack kon geweldig trompet en vooral trombone spelen, maar een baldadige jeugd maakte van hem een man van twaalf ambachten en dertien ongelukken. Op zijn onstuimige levenspad is hij naast jazzmusicus bijvoorbeeld ook radiopresentator, arrangeur en vliegenier geweest.

In 1937 werd hij uit de restaurantkeuken geplukt waar hij als kok werkte: een straatroof leidde tot zijn veroordeling. In de gevangenis werden zijn muzikale talenten gewaardeerd en Jack gaf er leiding aan de gevangenisband; hijzelf begeleidde op piano en er dateren uitzendingen van de band uit 1938. Hij kwam voorwaardelijk op vrije voeten, maar hield zich niet aan de regels en keerde bij herhaling terug in de gevangenis. Volgens ingewijden deed hij dat met opzet, want hij miste de gevangenisband.

Na 1946 verdwijnt hij uit beeld. Wat er van hem werd gehoord, getuigde van een opvliegend karakter. Iedereen was het erover eens dat hij een briljant muzikant was, maar een die gebukt ging onder de last van het leven en diverse pogingen had ondernomen er een eind aan te maken. Uiteindelijk vergaste hij zichzelf op 30 maart 1968, maar de directe doodsoorzaak was eerder een vette lever.

Voor meer details over Jack Purvis’ leven leze men Wikiwand.

Ik had dit artikel niet geschreven, als ik niet het artikel over Jeroen Brouwers in de Trouw van 16 maart was tegengekomen. Jeroen Brouwers is naar eigen zeggen al geruime tijd bezig met het beschrijven van de opvallend vele zelfdodingen onder Nederlandse schrijvers. Het moet uitmonden in zijn studie ‘De laatste deur. Zelfmoord in de Nederlandstalige letteren.’ Is het schrijven van literatuur daarmee een voor de schrijver dodelijk beroep?

Bij mij rees meteen de vraag of jazzmusici dezelfde weg opgaan. Over hun relatie met drank en drugs (de laatste decennia steeds minder actueel) is genoeg geschreven; zie ook mijn bijdrage ‘Laatste noten‘. Ik moet zeggen: de opsomming bij Wikipedia van jazzartiesten die vrijwillig er een eind aan hebben gemaakt, is geruststellend kort. Ik noem een paar, vooral blazers.

(Om de volgende nummers te beluisteren moet je Spotify op je device hebben.)

Albert Ayler (geboren 13 juli 1936) heeft een onuitwisbare herinnering achtergelaten als saxofonist van de free jazz. Hij trok zich de psychische problemen van zijn broer Donald erg aan en nam op 25 november 1970 in New York het pont naar de Statue of Liberty en sprong onderweg in het koude water. Het bleek dat hij daaraan voorafgaand thuis de TV stuk had geslagen met… z’n saxofoon. Niet iedereen kan Aylers spel waarderen, je moet er echt van houden… bijvoorbeeld ‘Omega Is The Alpha’ (Ghosts, 1965).

Sonny Criss (geboren 23 oktober 1927) herken je meteen aan zijn stijl waarmee hij de hoge noten op zijn altsax blaast. In 1977 is hem de maagkanker te ondraaglijk geworden en hij besloot met zijn vuurwapen vanaf 19 november 1977 niet langer onder ons te zijn. ‘Greasy’ staat op zijn album This Is Criss! (1966).

Börje Fredriksson (geboren 30 juni 1937) is een tamelijk onbekende Zweedse tenorsaxofonist. Tijdens zijn korte leven heeft hij slechts één album uitgebracht (postuum is er nog één verschenen). Onder niet nader opgeklaarde omstandigheden heeft hij op 21 september 1968 op 31-jarige leeftijd zelfmoord gepleegd. Zijn geluid doet aan dat van John Coltrane denken, maar daar wilde hij zelf niets van weten: Not one phrase is stolen.’ Beoordeel zelf, bijvoorbeeld ‘Ballad för Laila’ (Intervall, 1966).

Trombonist Jay Jay Johnson (geboren 22 januari 1924), een veel gevraagd musicus en componist, heeft met talrijke groten in de jazz gewerkt. De bij hem geconstateerde prostaatkanker werd hem na de tegenslagen in zijn leven te veel en op 4 februari 2001 schoot hij zich door het hoofd. Hier is hij in het sextet van Coleman Hawkins als derde solist te beluisteren (na ‘Hawk’ zelf en trompettist Idrees Sulieman) op ‘Chant’ een compositie van Hank Jones (The Hawk Flies High, 1957).

Jay Jay had wellicht in Frank Rosolino (geboren 20 augustus 1926), eveneens trombonist, een voorbeeld. Deze pleegde op 26 november 1978 zelfmoord na zijn twee zoontjes in hun slaap beschoten te hebben (een van hen overleefde het niet, de ander werd blijvend blind). We horen hem hier ‘When Lights Are Low’ op een van zijn laatste albums spelen (Conversation, 1976).

Met zelfdoding in de titel van je muziekstuk kan best acceptabele ‘jazz’ worden gemaakt. Zie: Urselle’s ‘Suicide Blonde’ (Jazz and ’90s, 2006; overigens een cover van de versie van de INXS op hun album uit 1990).

Zo, nu is het hoog tijd om mij te werpen op Philo van Gastels ‘Beresporen: over mensen en beren in de Pyreneeën’ (Amsterdam 1995).

Duck Amok

In mijn vroege jeugd was ik al klant van de buurtslijter. In die tijd waren de regels voor alcoholverkoop nog niet zo strikt als tegenwoordig. Meer dan dat was het de bekendheid met het feit dat grootmoeder, die bij ons inwoonde, haar eigenzinnige recepten had. Het afgepaste geld deponeerde ik op de toonbank en de fles jenever werd van de schap gehaald. “Zo, jongen, gaat grootmoeder weer babi pangang maken?”

Mijn grootmoeder wist hoe je een lap buikvet in de oven moest vertroetelen. Om de paar minuten werd de ovendeur geopend om het sissende vlees te bestrijken met olie en jenever, altijd van één en hetzelfde merk. Voor de olie gebruikte zij een lepel, met een penseel maakte zij schilderende bewegingen om de jenever de juiste plekken te wijzen. (Een modern recept van babi pangang vind je hier.)

Als het haar verjaardag was, leek het bezoek alleen maar te komen om van het goddelijk kostje te smullen. Anderen in de familie waagden zich weleens aan het recept, maar dan wachtte steevast het genadeloze commentaar van de queen of Yakarta: “Die van mij is lekkerder.”

Nu wist ik toen nog niet dat ik ooit saxofoon zou spelen, want dan had ik mijn culinaire verslavingen eerder kunnen beteugelen. Eten en drinken, dat gaat niet samen met een blaasinstrument. Residuën die zich in je mondholte en zelfs je adem ophopen, vormen een aantasting van je geliefde instrument.

Laat ik nu laatst het boek Jazz Cooks uit 1992, geschreven door Bob Young en Al Stankus, tegenkomen (lees hier een recensie). Heel wat jazzmusici blijken, getuige de gegeven interviews, keukenprinsen en -prinsessen te zijn en een slordige meerderheid houdt van kanen. Het is duidelijk: ik ga het hebben over de eetgewoonten van de masters of jazz. Als de papillen van de lezer genoeg hebben aan een patatje Paay, dan is de onderstaande informatie te veel van het goede.

↑ Patatje Paay voor de liefhebber. 

In de Huffington Post (ed. Australië) van 8 november 2013 stond het verhaal over een doodzieke klarinettist. Hoestend en kreunend van de pijn strompelde hij het ziekenhuis binnen, maar een eerste onderzoek leverde niets op dan schimmels in de longen. Een vasthoudende internist vroeg door en kwam erachter dat de beste man in de dertig jaar dat hij op zijn klarinet speelde, nog nooit zijn instrument had schoongemaakt.

Sterk verhaal? Medisch onderzoek heeft uitgewezen dat een meer dan gemiddeld grote kans op longaandoeningen en infecties bestaat onder leden van jeugdorkesten en fanfares. De muzikantjes spelen op geleende of gehuurde instrumenten, waarop door anderen, hun voorgangers, intensief is geblazen en bij wie de hygiënische mores niet hoogstaand waren.

Tanden poetsen en je instrument schoonmaken, de twee geboden voor een blazer, vooral voor wie on tour is, want dan eet je buitenshuis om daarna meteen aan de gig te beginnen. De tandenborstel wacht ongebruikt op de hotelkamer.

Ik geef enkele facts uit ‘Food habits in a group of musicians’ (Pires, Lourenço & Cabrita, Experimental Pathology and Health Sciences, 2015, 7-2, pp. 27-30). Enquêtering van 35 musici leverde o.a. deze gegevens op (voor de percentages leze men het rapport):

  • twee op de drie mannen eten regelmatig tot vaak rood vlees, bij de vrouwen is de verhouding vier op de vijf;
  • één op de vier mannen drinkt géén laag-alcoholische drankjes, bij de vrouwen is dat één op de drie;
  • één op de vier vrouwen drinkt sterke drank, terwijl twee op de vijf mannen dat doen;
  • de helft van de ondervraagden, zowel mannen als vrouwen, eet van de grill.

Het is duidelijk: aan de vrouwen is een biefstukje goed besteed en mannen consumeren meer sterke drank. Vergeet verder niet de barbecue regelmatig aan te vullen, wanneer je muzikanten hebt uitgenodigd. Het onderzoek schijnt ook uit te wijzen dat er geen significante verschillen zijn op basis van leeftijd. Alles is blijkbaar jong aangeleerd. Gelukkig denkt de huidige generatie bewuster na en is er onder jazzmusici, atleten in hun vak, een trend te bespeuren om gezondere eetpatronen na te streven.

Jazz, eten en drinken, drie handen op één buik. Orkestleider, pianist en componist Duke Ellington schijnt meer dan twintig composities geschreven te hebben met eten en drinken in de titel, zoals ‘Cocktails For Two’ (1934), ‘Sauce For The Goose’ (1937), ‘Pigeons And Peppers’ (1938), ‘At a Dixie Roadside Dinner’ (1940), ‘Blue Goose’ (1940), ‘West Indian Pancake’ (1959), ‘Blue Pepper’ (uit The Far East Suite, 1966), ‘Wild Onions’ (1967), ‘Duck Amok’ (1974) enz.

(Om de onderstaande nummers te beluisteren moet je Spotify op je device hebben.)

Van Dizzy Gillespie wordt gezegd dat hij zó dik werd dat hij niet meer kon fietsen en toen gestopt is met het eten van vlees. In zijn eigen woorden: “My intestines wrote me a letter. Then they gave me an official thank-you note.” Ik weet niet of hij daarvóór of juist daarná zijn compositie ‘Manteca’, Spaans voor boter of vet, heeft geschreven.



↑ Dizzy Gillespie’s Dream Band speelt ‘Manteca’ (Lincoln Center, 1982).

BTW: mijn voorkeur gaat uit naar de uitvoering van de GRP Big Band, alleen al vanwege de bezetting met o.m. Kenny Kirkland (p), Eric Marienthal (alt), Bob Mintzer (tenor), Ernie Watts (tenor), Randy Brecker (t), Sal Marquez (t), Lee Ritenour (g), John Patitucci (b), Dave Weckl (dr). Hoe verzin je zo’n line-up!

Na een lang leven begonnen met gevangenisstraf en getekend door drugsgebruik en het spelen met de grootsten der aarde leeft de nu 87-jarige Sonny Rollins op zijn ranch in Woodstock (NY). Hij doet er aan yoga, volgt een zout-arm diëet bestaande uit hoofdzakelijk vis, kip, fruit en verse groente.

Trompettist Louis Armstrong, een notoire smulpaap, ondertekende veel brieven met ‘Soul foodly yours’, nog vaker met ‘Red Beans And Ricely Yours’. Rijst met rode bonen (kidney beans) was zijn favoriete maaltijd. Het Louis Armstrong House Museum is in het bezit van het originele recept van mevrouw Armstrong. Dankzij haar was Louis in 1953 op zijn top, wat lichaamsgewicht betreft.


↑ Louis Armstrong met vrouw Lucille in Rome in 1949 aan de spaghetti (bron: nrp.org). Louis, opgelet: het is spaghetti óf bijgerecht, niet beide tegelijk!

Voor zover bekend heeft Louis tijdens zijn muzikale leven minstens acht trompetten ‘versleten’. Ik weet nu waarom.

Een zijsprong: je hoeft geen kok te zijn om “kok” te heten. Junior Cook is een redelijk onbekende tenorsaxofonist. Zijn eerste eigen vinyl opnamen beluister je op Junior’s Cookin‘ (1962). Hij is dan uit de band van Horace Silver gestapt en ging samen met trompettist Blue Mitchell in een eigen band verder. Zijn toon is niet altijd even constant, maar hieronder speelt hij fraai Charlie Parkers ‘Chi-chi’ (Senior Cookin’, 2009).

Uit eerbetoon voor de culinaire hoogstandjes van mijn grootmoeder én omdat ik morgen jarig ben, laat ik mijn eigen compo horen: de Babi Pangang Blues! Smakelijk eten!