Caravan

Voor de verandering vallen we met de deur in huis. Laat je een minuutje meevoeren op de klanken van ‘Caravan’.

↑ SWR Big Band o.l.v. Bob Mintzer speelt ‘Caravan’ (Stuttgart 1999).

Caravan is een klassieker. Het stuk wordt bij alle gelegenheden en op vele locaties gespeeld. Ooit heb ikzelf het horen spelen tijdens een trapeze-act in een circusvoorstelling. Youtube, Soundcloud, Spotify: overal kom je het tegen. Iedereen waagt zich eraan, met wisselend succes.

Het stuk stamt uit 1936 en het verhaal wil dat de eerste maten zijn voorgespeeld door Juan Tizol, vaste trombonist van het ensemble van Duke Ellington. Het thema is door hen samen uitgewerkt en de eerste opname is een uitvoering van Ellingtons septet. In 1937 volgt de opname met zijn big band (hier is de versie uit 1952). De meeste arrangementen zijn van de hand van Billy Strayhorn.

Enkele sheets van diverse partijen in Ellingtons uitvoering bestaan nog. Alle zijn handgeschreven en her en der voorzien van commentaar, accentueringen, doorhalingen et&. Op de blaadjes staan overigens niet de instrumenten, maar de namen van de instrumentalisten. Duke had een persoonlijke band met zijn bandleden.


↑ Trompetpartij van Cootie Williams (bron: americanhistory.si.edu).

Het stuk is erg suggestief. Met een beetje fantasie zie je een sliert kamelen zich door de woestijn een weg banen of een slangenbezweerder een cobra uit de mand toveren of een buikdanseres voor de Bey in Palmyra met haar heupen wiegen. Ik denk dat de meeste blazers, op z’n minst vanuit het onderbewuste, voor de tweede visualisering kiezen. Mijn keuze houd ik voor me.

Het stuk blinkt uit door zijn eenvoud. Duke heeft wel iets bijzonders gedaan door de maten te ‘verdubbelen’, want i.p.v. 32 maten in een AABA-schema zijn het er 64 geworden. Twee akkoorden bepalen het verloop in het A’tje: C7 in de eerste twaalf maten (een Edim dient als opstap), Fm6 in de laatste vier. Het B’tje laat een 6-2-5-1 progressie zien: F – Bb – Eb -Ab, telkens vier maten. Ik zei het al: het is simpelheid ten top.

 

↑ Lead sheet van ‘Caravan’.

Caravan is vrij snel voorzien van een songtekst. Het was Irving Mills, manager van Ellingtons band, die met de woorden kwam. Zijn naam staat vaak als derde vermeld op de muziekbladen van het nummer.

Night
And stars above that shine so bright
The myst’ry of their fading light
That shines upon our caravan

Sleep
Upon my shoulder as we creep
Across the sands so I may keep
This mem’ry of our caravan

This… is so exciting
You… are so inviting
Resting in my arms
As I thrill to the magic charms

Of you
Beside me here beneath the blue
My dream of love is coming true
Within our desert caravan

Nu denkt iedereen dat het soleren over het thema net zo gemakkelijk is als het notenbeeld zich laat aanzien. Ik kan mij vergissen, maar de bandleden van Duke lijken ook te worstelen met hun solo’s op de opname van 1952 (zie boven). Magistraal is de linkerhand van de orkestleider en het thema gespeeld door Juan Tizol op ventieltrombone. De rest trekt enkele maffe lijntjes en doet duidelijk voor hen onder.

Zelf voel ik mij, als ik soleer op dit stuk, een zoekende in de woestijn (en vind geen kameel om verder te komen). Ik denk dan met jaloezie aan de violist die op zijn zolderkamer iedere dag studeerde en sinds een paar maanden alleen maar de A streek, dit tot ergernis van zijn vrouw die er hoofdpijn van kreeg. Op een dag hield zij het niet meer en onderbrak zijn studie. “Waarom speel je de laatste tijd toch altijd hetzelfde? Anderen spelen toonladders en akkoorden.” Hierop kwam het antwoord: “Die anderen zijn nog zoekende, ík heb de juiste toon gevonden.”

Soleren op een enkel akkoord valt tegen. Neem nu de solopartij op ‘A Beautiful Day’ van Gare du Nord. Het zijn pakweg zestien maten die moeten worden gevuld over één akkoord, de C groot. Ik worstel ermee, maar hier slaat de trompettist zich er moeiteloos door heen. Geen wonder, want Jan van Duikeren is niet de minste in zijn klasse.

‘A Beautiful Day’, trompetsolo (Sex ‘n Jazz, 2010).

Ik kom terug op het openingsnummer, dat van de SWR Big Band. Wat doet Bob Mintzer dat zijn solo (hij speelt de chorus tweemaal) wél klinkt? Ik denk dat hij in het A’tje vanuit het C7-akkoord graag de Bb speelt in combinatie met de C#, want die zit weer in het Edim (Gdim mag ook of Bbdim of C#dim, alle zijn uitwisselbaar) van de eerste twee tellen. Het B’tje is een Gershwin bridge en zo’n progressie moet haast vanzelf gaan.

Solo van Bob Mintzer bij de SWR Big Band (eerste chorus, Stuttgart 1999).

(Om de volgende nummers te beluisteren moet je Spotify op je device hebben.)

Tot besluit drie versies van het nummer, een willekeurige keuze. Vele televisiekijkers zullen de melodie van ‘Caravan’ herkennen als het deuntje bij het quizprogramma ‘Wie van de drie?’ Het is de versie van gitarist Wes Montgomery (Movin’ Wes, 1964).

Thelonious Monk (Thelonious Monk Plays Duke Ellington, 1955) speelt het heel minimalistisch en slechts begeleid door Oscar Pettiford op bas en Kenny Clark op drums.

Michel Petrucciani, zoals vaker, speelt hem geheel solo (Jazz Inspiration, 2011), heel eigenzinnig met mooie blue notes gespeeld en in de A’tjes een linkerhand ostinato.

Ik ga maar weer eens aan de slag. Die buikdanseres, daar ga ik voor.

Sinterkerstklaasmis

In het tehuis waar mijn moeder haar laatste levensdagen doorbracht, was de kerstboom, voor een prikkie aangeschaft bij de jeugdboerderij om de hoek, vrolijk opgetuigd. De lichtjes brandden en een enkele bewoner hief spontaan om de vijf minuten een liedje aan. Het was de week voor kerst (die zou in 2013 midden in de week vallen, op woensdag en donderdag) en tijd voor haar gebruikelijke gang naar de kapsalon. Lift in, lift uit, hal door en je was er al. Er klonk beneden zachtjes kerstmuziek uit de luidsprekers.


Jazz Christmas Party (Warner Bros., 1997), compilatie moderne interpretaties van bekende Christmas songs uit het Engelstalige repertoire.

De dag ervoor had ik een afspraak bij de kapsalon voor moeder kunnen regelen. In het pand had zich sinds kort een tweetal kapsters gevestigd en een nieuwe zaak geopend. Bruisend bloed tussen het oude spul. Ze waren piepjong, wat de verkeerde inschatting van hun werkplek weer goed verklaarde. Ik vond het erg gewaagd en dat mocht zeker gezegd worden van de kleding die een van de meiden droeg. Ik dacht tegen een stootje te kunnen, maar ik had nog nooit zo’n diep decolleté gezien. Je hebt werkkleding en je hebt werkkleding, maar hiervan werd ik, man, knap onrustig.

Op de afdeling van moeder woonde ook Henk, de enige man onder de cliënten. Henk ambieerde in een ver verleden, dat hij zich niet zo goed meer kon herinneren, een professionele carrière als bokser. Dat was hem nog af te zien, want als hij je groette, wuifde hij niet. Nee, hij balde zijn vuisten en maakte er boksende bewegingen mee. Het was mij ogenblikkelijk duidelijk dat dit baasje, tenzij met grote zorg begeleid, binnenkort de bel van de laatste ronde zou horen.

In de huiskamer, waar Henk uit het raam tuurde en op sneeuw zat te wachten, konden ze trouwens niet genoeg krijgen van deze gouwe ouwe…

↑ Jingle Bells in de uitvoering van the Count Basie Orchestra (A Very Swingin’ Basie Christmas, 2015; dir. Scotty Barnhart, arr. Sammy Nestico); op YT vind je een promotiefilmpje van het orkest.

Mijn moeder kon in ieder geval pico bello het weekeinde ingaan en met keurig kapsel de aanstaande kerstdagen tegemoetzien. Op haar afdeling waren de begeleiders vol lof over het door de kapster geleverde werk en besloten om ook Henk vóór het weekeinde nog een betere hair look te gunnen. ‘Weten jullie dat wel zeker?’ – ik hoor mijzelf nog de vraag stellen. Verder wilde ik mij er niet mee bemoeien.

Eerste kerstdag bracht ik moeder weer een bezoekje. Henk zag ik nergens meer. Hij was in het weekeinde levenloos in zijn bed aangetroffen.

Ik ga het hebben over jazz in december en wil meteen één ding vaststellen: het Sinterklaasfeest is muzikaal gezien een ramp voor de oren en moet het in dit opzicht afleggen tegen het kerstfeest. Wat een erbarmelijke rijmpjes! Ik durf ze hier niet eens op te schrijven: ‘Strooi maar wat lekkers in een of andere hoek.’ Voor één keer ben ik het eens met Toon Hermans: Snieklaas, een vervelend personage… met z’n schimmel.

Dit ongemak wordt ruimschoots goedgemaakt door de kerstdagen, want daar wordt vanuit iedere hoek met lekkers gestrooid. Dat uit de jazzhoek mag er wezen. AABA of ABAB schema’s en daarover lekker soleren, Christmas songs winnen het van Sinterklaasliedjes. Aan de ouderdom van de traditie kan het niet liggen, want ‘Jingle Bells’, ook geheten ‘One Horse Open Sleigh’, stamt uit 1857. Het was bedoeld als hooilied op Allerheiligen (Thanksgiving), maar kreeg met de kerst meteen een swingend onthaal. Dat kan van geen Sinterklaaslied gezegd worden.

Laat ik mij beperken tot de jazzy Christmas songs. Er circuleren genoeg top-tien-lijsten met kerstnummers in allerlei genres. Op bijv. Ranker staat een opsomming van ‘Best Christmas Songs of All Time’. Van mij alleen een selectie, jazz for Christ

We beginnen met de meest onnozele. Ter voorkoming van gehoorschade (of erger) beperk ik de nummers tot tracks van één minuut.

Doris Day is niet de zangeres op wie ik zit te wachten. Haar ‘Que sera sera’ (met die onmogelijke vraag: When I was just a little girl, I asked my mother, what will I be? Will I be pretty, will I be rich?) schalt heel de tijd door de film ‘The Man Who Knew Too Much’ (Alfred Hitchcock, 1957) en vergalt bij mij althans het kijkgenot. Ze kán het wel, getuige haar interpretatie van ‘Blue Skies‘ (Irving Berlin, 1926). Ik moet bij de les blijven, we laten een kerstliedje van haar horen…

↑ ‘Ol’ Saint Nicholas’ door Doris Day (Columbia Records, 1949; ‘with Male quartet’)

Zóóóó’n banale tekst zóóóó mooi zingen is niet een ieder gegeven:

So, Ol’ Saint Nicholas
Here’s to you
A toast for bringin’ goodies to the young and
Ol’ Saint Nicholas hip-hooray
Have a merry Christmas day!

Ik las trouwens dat ook Bob Dylan zich op kerstrepertoire heeft gestort met zijn Christmas in the Heart (2009). Ga het vooral beluisteren, ik doe het niet. De lyriek op dit album heeft misschien bijgedragen aan de toekenning van de Nobel Prijs voor literatuur. Hij moet in zeven jaar flink progressie hebben gemaakt.

Dan nog liever Dean Martin, die naast mooi zingen ook goed kon drinken. Zijn ‘Christmas Blues’, veelbelovende titel, was de producent vergeten op het oorspronkelijke album te plaatsen en werd als bonus alsnog gebracht op de editie van 1989. Dat was een paar whiskey’s verder.

↑ ‘Christmas Blues’ door Dean Martin (A Winter Romance, 1959/1989).

Gelukkig hebben we Charlie Parker, met een witte raaf weliswaar. Voorzover bekend heeft the Bird zich verder nooit gewaagd aan sfeermuziek bij de glühwein en idyllisch winters landschap.

↑ ‘White Christmas’ (25 dec. 1948, live vanuit de Royal Roost NY, met o.a. Kenny Dorham op trompet en Max Roach op slagwerk).

Het wordt steeds beter. Ella Fitzgerald’s ‘Good Morning Blues’ is een bewerking van een song van bluesgitarist Lead Belly (1885-1949). Het plezier van de musici in het begeleidende orkest spat ervan af, terwijl Ella afsteekt met een vrolijke blues na een verloren relatie:

Oh Santa Claus listen to my plea,
oh Santa Claus listen to my plea,
don’t send me nothing for Christmas
but my baby back to me.

De melodie is in 12/8 getoonzet en de riffs zijn in prettig scheve akkoorden geschreven. Het is niet eens Count Basie die het orkest leidt.

↑ ‘Good Morning Blues’ door Ella Fitzgerald (Ella Wishes You A Swinging Christmas, 1960); dirigent en arrangeur is Frank DeVol.

Baardje onder de kin en muts op! Dexter zou zo voor Santa Claus kunnen doorgaan. De lichaamsbouw had hij er zeker voor. Zijn ‘Christmas Song’ staat een beetje verdwaald op het album The Panther tussen nummers als ‘Body & Soul’ en ‘The Blues Walk’, zeker als je je bedenkt dat de opnamen zijn gemaakt op 7 juli 1970. We genieten van zijn krachtige spel en afterbeat.

↑ The Christmas Song door Dexter Gordon (The Panther, 1970, met Tommy Flanagan op piano).

Wynton Marsalis (ja, ook hij!) heeft een hele cd met Christmas songs volgeblazen: Christmas Jazz Jam (12 nummers, 2009). Daar staan de belangrijkste standards op! Eerder heeft hij Crescent City (1989) uitgebracht. Allemaal prachtige tonen, ook de hoge, zoals we die van Wynton gewend zijn. Timing? Ronduit geweldig.

(Om het volgende nummer te kunnen beluisteren moet je Spotify op je device hebben.)

Voor mij de absolute top: Joshua Redman die een heerlijk potje, inclusief verhogingen, ‘Santa Claus Is Coming to Town’ wegblaast. Op spotify is het nummer geblokkeerd. De hoes, voor wie zich het album wil aanschaffen, is bovenaan in dit artikel te zien. Op YT is de opname zonder bewegende beelden te beluisteren; ik geef die hier bij wijze van uitzondering integraal…

↑ ‘Santa Claus Is Coming to Town’ door Brad Mehldau en Joshua Redman (Warner Bros. Jazz Christmas Party, 1997; compositie van Coots & Gillespie).

Het moge duidelijk zijn, dit is mijn favoriet en maakt deel uit van mijn repertoire. Ik speel het graag als afsluiting van mijn dagelijkse oefeningen. Zomer, winter, herfst, lente – het maakt mij niet uit. Fijne kerstdagen!

Dit was ik bijna vergeten. Er bestaan wél uitstekende jazzinterpretaties van Sinterklaasliedjes. Het trio Braat, Van der Krabben en De Wit brachten in 2014 hun cd Swingterklaas uit en promoten deze op televisie:


↑ ‘Hij komt! Hij komt!’ door Braat, Van der Krabben & De Wit bij de DWDD op 5 december 2014.

Robert Bosscher, gelauwerd pianist uit Nederland, maar tegenwoordig New York based, was hen in 2012 voor! Hij heeft zich bijv. op ‘Hoor, wie klopt daar, kinderen?’ gestort. Het nummer is opgenomen in New Jersey met zijn all-star New York Quartet. Ik weet het niet zeker, maar ik denk dat ik daar Mark Turner (geb. 1965) op tenor sax hoor spelen.
Addendum: op navraag heeft de componist zelf (zie comments bij YT-filmpje) mij verteld dat zijn vriend Matz hier op de sax speelt.

(Om het volgende nummer te kunnen beluisteren moet je Spotify op je device hebben.)

Ik blijf het toch maar bij ‘fijne kerstdagen’ houden.

Met gepaste stilte

Als student nam ik deel aan een faculteitsuitje, een studiereis naar Rome, onder begeleiding van drie professoren. Twee memorabele weken eindigden in een vroege uitcheck van het hotel en de bagage vond een tijdelijk onderkomen in een kamer waar een reusachtig tweepersoonsbed stond. Een van de professoren voelde de sfeer goed aan, want onze verveling vroeg om actie. ‘Ik ga jullie laten zien hoe een lijk eruit ziet, als het op de baar ligt.’ Het werd een van de aangrijpendste tableaus vivants die ik ooit heb bijgewoond.

Ja, sterven doen we allemaal eens. Ik speelde in die tijd nog geen sax, maar luisterde intensief naar jazz. Ik zag daar mijn prof liggen (hij doceerde filosofie) en het schoot mij meteen door het hoofd: gaat muziek dood? ‘After the music is over, it is all gone in the air. You can never capture it again.’ Het zijn de slotwoorden van Eric Dolphy op zijn laatste plaatopname (Last Date, 1964, gemaakt in Hilversum). Een mooie boutade.

Mijn zorgen betreffen metname de jazz. Is die aan zijn eind of doemt er een nieuwe toekomst? Een citaat dat vaak langskomt, is dat van Frank Zappa: ‘Jazz is not dead, it just smells funny.’ Ik heb het nagezocht. Het is te beluisteren op ‘Be-bop Tango’ (Roxy And Elsewhere, 1974). Hij laat Bruce Fowler een rare solo op de trombone spelen en toetsenist George Duke mag een paar snelle lettergrepen de microfoon inblaten.

↑ Frank Zappa’s beroemde woorden in ‘Be-bop Tango’ vanaf 6:10 min., tijdens het concert begin december 1973, Los Angeles. Als je goed luistert, hoor je George Duke aan het begin een paar noten van Thelonious Monks ‘Straight No Chaser’ spelen.

In het werk van J. Bernlef (=Hendrik Jan Marsman, 1937-2012) lezen we vele opmerkingen over de jazz. Ergens zegt hij, opmerkzaam als hij is, dat jazz de enige Amerikaanse kunstvorm is die niet is afgekeken van een Europees voorbeeld. Bernlef was een liefhebber van vooral de klassieke jazz. Zijn oordeel over de toekomst ervan is macaber. Die is er niet. Hij heeft in zijn bundel Haalt jazz de 21ste eeuw? (Singel, 1999) elf essays aan het onderwerp gewijd. Het einde is wat hem betreft in zicht: dove hoogbejaarden laten in een buurthuis aan elkaar hun collectie jazzplaten horen.

Vroeger, dat wil zeggen vóór de jaren ’60 van de vorige eeuw, had de jazz minder concurrentie van andere muziekgenres. Jazz lift mee op de popularisering van het medium radio en die van de platenspeler. Waar jazz in het begin zacht en melodieus was, werd die met de be-bop supersnel en voor velen niet te volgen. Er zat geen ‘catchy’ melodie bij. Jazz werd ook een attractie op het podium. Waar vroeger op die muziek werd gedanst, kon dat niet meer. De deuntjes werden er niet eenvoudiger op. Jazz wordt kortom esoterisch. Het dieptepunt: Miles Davis keert het publiek zijn rug toe onder het spelen.

Misschien aardig om te weten: de allereerste radiouitzending in Nederland werd op 6 november 1919 verzorgd door Hanso Idzerda, Neerlands radiopionier van het eerste uur, vanuit een pand aan de Beukstraat in Den Haag (bron: Klomp & Melzer, Boy Edgar: het dubbelleven van een alleskunner, 2015). Op 28 mei 1923 zond zijn zender NRI (‘Nederlandse Radio Industrie’) een sessie van de Haagse Jazz Devils (een afsplitsing van ‘The Original Jazz Syncopators’) live uit, de eerste keer dat er ‘jazz’ in Nederland via de publieke omroep te horen was.

Economisch is jazz stukken minder interessant dan pop, rock en al het aanverwante. Het is onderhand de minst beluisterde vorm van muziek. De statistieken leren bovendien dat steeds meer mensen oude albums kopen, steeds minder mensen nieuwe albums. Tot de top tien van best verkochte jazzalbums behoren ‘Kind of Blue’ (Miles Davis, 1959), ‘Time Out’ (Dave Brubeck Quartet, 1959, die met ‘Take Five’), ‘A Love Supreme’ (John Coltrane, 1965) en ‘Saxophone Colossus’ (Sonny Rollins, 1956). Jazz heeft het boekhoudkundig afgelegd tegen andere genres.

Een van de meest sombere webpagina’s over het lot van de jazz is die van Nicholas Payton. Het is geen jazz meer wat deze trompettist speelt, maar ‘Postmodern New Orleans Music’. Jazz is naar zijn eigen zeggen een vorm van necrofilie. Jazz bestond in de jaren 1916-1959. Als je doorscrolt, lees je verstandigere dingen. ‘When you’re truly creating you don’t have time to think about what to call it.’ Muziek zijn de momenten tussen de stilte door. ‘I just move blocks of silence around.’ Horen wij hier John Cage?

Maar wat speelt hij anders dan jazz in bijv. zijn ‘Q for Quincy Jones’?
(Voor het beluisteren van het onderstaande nummer moet je Spotify op je device hebben.)

Valt er een tien-jaarscyclus te ontdekken van nieuwe takken aan de jazzstruik: New Orleans, dixie, swing, be-bop, cool jazz, hard bop, funk jazz, soul jazz, west coast jazz, neo-bop, NU jazz, smooth jazz en afgeleiden als jazz dance, bopfunk, swingbeat enz.? Of wacht ons het lot van de trombonist hieronder? Het is in ieder geval mijn tip aan onze boeren die onder Europese regels gebukt gaan en meer plezier aan hun vak willen beleven.



↑ De arbeidsvreugde van farmer Derek Klingenberg.

Voorlopig sta ik er nog positief in. Ik geef drie voorbeelden van nog springlevende jazz. Ik houd het bij bassisten en dat zijn niet Charles Mingus, Stanley Clarke of Christian McBride…



↑ Korte docu over de Nederlander Joris Teepe, een linkshandige contrabassist.



↑ Adam Ben Ezra soleert en gebruikt zijn bas ook als slaginstrument.



↑ Victor Wooten probeert in de winkel een bas uit (not embedded).