Three Little Words

A man’s kiss is his signature. Als ik deze quote hoor (hij wordt aan filmactrice en mannenverslindster Mae West toegeschreven), moet ik terugdenken aan een gevaarlijk moment op mijn werk. Een vrouwelijke collega vertelde eens van haar hobby’s en vroeg me toen: “Waar ben jij goed in?” Mijn antwoord: “Ik speel verdienstelijk tenor sax en, zoals iedereen weet, kan een saxofonist goed zoenen.” Je reinste sexual harassment! Gelukkig was de andere partij sportief, maar bloosde wel flink.

Mae West (1893-1980) was geen verlegen dame, want haar meest seksueel getinte uitspraak zou hebben geluid: “Is that a gun in your pocket or are you just glad to see me?” (Volgens Quote Investigator is dit echter nooit zo door haar uitgesproken.) Hier in den lande heb ik zoiets nooit horen zeggen, zeker niet tegen mij. Dan zijn deze woorden van haar beschaafder: “Love is not an emotion or an instinct. It’s an art.”

↑ Mae West over haar eigen prestaties (I’m No Angel, 1933).

A Fine Romance, All The Things You Are, Alone Together, Beautiful Love, Could It Be You, Don’t Get Around Much Anymore, In A Sentimental Mood, Prelude To A Kiss, Recordame, Solitude. Een willkeurige greep van songs uit het Realbook vol.1 levert allemaal titels op die over de liefde gaan, misschien het meest voorkomende onderwerp in de muziek. Meestal gaat het in de jazzstandards om de treurige vorm ervan: verbroken relaties, onmogelijke liefdes, onbeantwoorde verlangens, dat alles meestal in de kleine uurtjes.

Een en al kommer en kwel. Een studiegenoot van mij was gespecialiseerd in het hebben van vele relaties, na elkaar wel te verstaan. Op mijn vraag hoe hij tegenslag verwerkte, hield hij mij zijn aforismenreeks voor:

Liefde overkomt een ieder. Niet iedereen houdt van iemand. Niemand houdt van mij. Ik houd van mijn kat. Mijn kat houdt van brokjes. Brokjes zijn beperkt houdbaar. Niet getreurd: haal nieuwe!
(Vrij naar Frank Zappa, Packard Goose, Joe’s Garage, 1979.)

Filosoof Alain de Botton (1969) houdt ons voor dat wij sinds de romantiek gevangenen zijn van een ideaalbeeld van de liefde, waardoor wij denken dat liefde iets is dat geen conflicten verdraagt of toelaat. Arthur Schopenhauer (1788-1860) leert ons dat je de liefde pas ervaart, wanneer je met afwijzing en de pijn van teleurstelling weet om te gaan. Hij kon het weten, want de enige relatie die hij in zijn leven had, liep uit op een falikante mislukking.

Johann Wolfgang Goethe (1749-1832) was hem in die gedachte voorgegaan. Volgens hem is de enige echte liefde de onmogelijke liefde. Daarvoor moet je duidelijk romanticus zijn. Heeft hij wel naar Casanova (1725-1798) geluisterd? Bij hem is uitgestelde liefde de hoogste vorm ervan. Fantasie als love potion (praecox!).

Nu wij toch filosofen aan het woord laten… Voor eens wil ik Friedrich Nietzsche (1844-1890) gelijk geven: “Wie wenig gehört zum Glücke! Der Ton eines Dudelsacks. Ohne Musik wäre das Leben ein Irrtum. Der Deutsche denkt sich selbst Gott liedersingend.” (Götzen-Dämmerung, 1889, Sprüche und Pfeile nr. 33). Hopelijk toch niet alleen Duitsers? Jammer dat hij de doedelzak als voorbeeld geeft, in mijn beleving een instrument waarmee je géén muziek kunt maken.

Een zoektocht naar de liefde, in de jazz wel te verstaan, bracht mij op dit juweeltje:

Three little words… oh what I’d give for that
wonderful phrase. To hear those
three little words, that’s all I’d live for the
rest of my days. And what I
feel in my heart, they tell sincerely.
No other words can tell it half so clearly.
Three little words, eight little letters,
which simply mean I love you.

Het is een song van Bert Kalmar (tekst) en Harry Ruby (muziek). Kalmar was een vaudeville-artiest en Ruby werkte voor een muziekuitgeverij. De twee vonden elkaar in het songwritersvak en schreven de muziek voor een aantal films, te beginnen met Animal Crackers in 1930 (met in de hoofdrol Shirley Temple). De song komt uit de musical Check and Double Check uit datzelfde jaar.

↑ Score van ‘Three Little Words’ (mijn eigen transcriptie; ik ben niet in het bezit van het New Realbook vol. 2; daar moet het nummer op pagina 373 staan).

Het is een verbluffend simpele melodie. In de A’tjes draait het slechts om de noten C, E en D (in een dalende lijn en in die volgorde). Het B’tje bevat de Gershwin-bridge in de progressie vi-ii-v-i, oftewel Gm7 – C7 – Fmaj7 – Bb7.

(Om de volgende nummers te beluisteren moet je Spotify op je device hebben.)

Enkele voorbeelden door de meesters in het vak. Stan Getz’ geluid en manier van spelen herken je meteen in zijn uitvoering van 1957. Naar mijn smaak wordt het af en toen toch te veel dixie.


↑ ‘Three Little Words’ door Stan Getz (Stan Getz & The Oscar Peterson Trio, 1957).

Trane heeft er ook zijn versie van gemaakt. In 1959 tekende hij een contract met Atlantic Records (het werden voor hem de ‘Atlantic years’) en op het album Bags & Trane speelt hij met vibrafonist Milt Jackson, begeleid door Hank Jones (p), Paul Chambers (b) en Connie Kay (dr). Trane’s noten spatten ervan af, foutjes inbegrepen.


↑ ‘Three Little Words’ door Milt Jackson en John Coltrane (Bags & Trane, 1961).

Cyrille Aimée zingt het stuk snel, snel, snel. Het mag een wonder heten dat ze haar tong niet breekt (of de vingers van de bassist). De luisteraar moet wel van gipsy houden.


↑ ‘Three Little Words’ door Cyrille Aimée (Let’s Get Lost, 2016).

Tenorsaxofonist Floriaan Wempe speelt de song op eigengereide wijze. Hij laat zien hoe je met wisselende tempi een geheel nieuwe draai aan een muziekstuk kunt geven. Mooie toon ook.


↑ ‘Three Little Words’ in de uitvoering van Florian Wempe (8 mei 2014).

Gevraagd naar haar opinie over de love of her life sprak mijn vrouw: “Liefde is iets moois.” Dixit.

Space Is The Place

Tijdens mijn vakantie in het land van de pasta’s kwam ik op het internet sites tegen die de spaghetti op heel eigen wijze heilig verklaren. De makers zijn ‘pastafarians’ en allen leden van een kerkgenootschap dat het geloof predikt in piraten als goddelijke wezens. De nederlandse tak noemt zich de ‘Kerk van het Vliegend Spaghettimonster‘.

Anders dan de Bijbel voorschrijft, houden de geloofsgenoten zich niet aan tien geboden, maar aan acht ‘liever-nietjes‘. Een voorbeeld. Liever-nietje nr. 5 luidt:

‘Ik heb echt liever niet dat je discussieert met gehersenspoelde, vooringenomen, akelige mensen op een lege maag. Eet eerst en maak dan gehakt van ze.’

Tijdens hun samenkomsten wordt een thema kort besproken. Een dienst eindigt steevast met het verorberen van een pastamaaltijd. Er is geen kledingvoorschrift, alleen het hoofddeksel is verplicht: een vergiet.


↑ Het rijbewijs van ‘pastafarian’ Sean Michael Corbett, met vergiet op.

Het hierboven beschrevene kan nauwelijks op enige serieuze reactie rekenen. Piraten zijn een verdwijnend verschijnsel (volgens de ‘pastafarians’ trouwens een belangrijke oorzaak van ‘global warming’) en er zijn betere hoofddeksels te bedenken om te getuigen van slechte smaak. De spaghettislierten zijn overigens ontleend aan de haarstrengen van de monsters uit de ‘Pirates of the Caribbian’.

Niettemin… wat dom oogt, kan zo zijn diepere en meer doordachte kanten hebben. Het begon naar het schijnt met open briefschrijver Bobby Henderson die in 2005 zijn zorgen liet blijken over het gebrek aan vrijheid van educatie. Als intelligent design voortaan op de Amerikaanse scholen tot het curriculum mocht behoren, waarom dan ook niet andere inzichten?

Het dragen van een vergiet is gaandeweg symbool geworden voor vrijheid van geloofsovertuiging. Dit kan ver gaan, getuige de uitspraak van de rechter in Den Bosch van begin dit jaar (zie nu.nl d.d. 15-2-’17). Een Eindhovenaar wilde mét vergiet op de pasfoto van zijn rijbewijs, maar dit werd door de burgervader geweigerd. De rechter gaf hem gelijk met als belangrijkste argument, dat het nieuwe geloofsgenootschap niet voldoende serieus overkwam.


Monk’s Dream (voorkant hoes) van Thelonious Monk met zijn karakteristieke Pork Pie Hat.

Het lijkt mij, als schrijver over jazzmuziek, niet verstandig om in deze kwestie stelling te nemen, alleen al vanwege het feit dat een vergiet mij niet staat. Wel wil ik mijn mening verkondigen over hoofddeksels in de jazz in het algemeen (ik heb het elders al eens gedaan). Ik ken genoeg jazzmuzikanten die denken met een hoofddeksel c.q. zonnebril op beter te spelen. Foute boel. Je sound komt niet uit een hoedje of trendy montuur, uitzonderingen daargelaten, want Thelonious Monk is van de buitencategorie en Joe Lovano wil ik het ook wel vergeven…


↑ Joe Lovano met hoed (bron: cleveland.com).

Het hoedje op het hoofd getuigt m.i. van aanstellerij en draagt niets bij tot beter spel. Spéél dan liever muziek die over een hoofddeksel gaat. Dat is gemakkelijker gezegd dan gedaan. Ik ken maar één jazznummer dat over een hoed gaat, maar dat nummer mag er ook zijn…

(Om de volgende nummers te kunnen beluisteren moet je Spotify op je device hebben.) 


↑ Charles Mingus, ‘Goodbye Pork Pie Hat’ (Ah Um, 1959).

Wat hoofddeksels betreft is er één band die alles slaat: het Sun Ra Arkestra. De vliegende spaghettimonsters zijn niets vergeleken bij de bandleden van dit samenraapsel muzikanten. Het huidige orkest houdt de traditie in stand van Sun Ra’s oorspronkelijke band, begonnen aan het begin van de jaren ’50 van de vorige eeuw. In navolging van hun geloofsleider spelen zij extrastellaire muziek (Sun Ra kwam naar eigen zeggen van Saturnus). Hun leading tune is ‘Space Is The Place’.


↑ ‘Space Is The Place’ in een modern jasje door het Ezra Collective (single uit 2017).

Samenraapsel, dat woord moet ik intrekken. De muzikanten in de oorspronkelijke Sun Ra Arkestra waren geen kleine jongens. Het orkest deed in 1980 muziekcentrum O’42 in Nijmegen aan en het was een imposant feest. Onder pulserende akkoorden schreed de meester zelf de zaal binnen, alsof hij zojuist uit zijn ruimteschip was gestapt. Na het eerste nummer verontschuldigde hij zich bij ons, enthousiast publiek, want zijn bassist was ziek geworden (ruimtegriepje) en the Sun moest alle baspartijen met zijn linkerhand opvangen. Uit het vervolg van de voorstelling bleek dat het hem geen enkele moeite kostte.


↑ Sun Ra zonder bassist in O’42, Nijmegen 1980; dat hoofd rechts van zijn neus, dat ben ik, ik was erbij!

Eerlijk gezegd vond ik de orkestleden als apen in een circusact uitgedost. De muziek was bij vlagen geniaal. Mijn herinneringen? John Gilmore († rip) speelde prachtig op tenor en Marshall Allen (in de negentig en nog steeds lid van de band) sloeg op z’n alt erop los met zwaaiende armbewegingen en spoot een half potje olie leeg over zijn troetelkind.

Wie de toenmalige trompettist was, weet ik niet, maar de man presteerde het om vijf minuten lang onafgebroken de hoge C te blazen. Dat was de eerste keer dat ik iemand live circular breathing zag toepassen. Daar bleef het niet bij, want hij was op een kruk gesprongen, stond op één been, het andere in een rechte hoek ten opzichte van de rest van het lichaam. Hoofddeksels vlogen door de lucht. De zaal zette het op een joelen.


↑ Sun Ra & His Arkestra speelt ‘Call For All Demons’ (Jazz by Sun Ra, 1955).

Zou het dan toch…? Maken hoofddeksels wél het verschil…? En nog iets: het Real Book vol. 1 5th edition opent met ‘A Call For All Demons’ van… Sun Ra. Zelf ben ik zo vrij geweest de versie van The Philadelphia Experiment met mijn eigen solo op tenorsax te overdubben (sorry Christian McBride!). Dat ging zonder hoedje.

Morgen schrijf ik De Kerk van het Vliegend Spaghettimonster aan met de vraag of ik hun dienst muzikaal mag opluisteren met ‘A Call For All Demons’. Ik ben bereid ervoor een vergiet op mijn hoofd te zetten.

Postscriptum 1: de Volkskrant van 16 november 2017 bericht over promovendus Michael Afanasyev, die van de TU Delft zijn proefschrift niet mag verdedigen in piratenkledij en met een vergiet op het hoofd… 

Postscriptum 2: verweer van Michael Afanasyev in de Volkskrant van 1 december 2017.

Goeroe

Staat een mens op bijzondere ontmoetingen in zijn leven te wachten? Ikzelf ontwijk levensbedreigende situaties zo veel mogelijk. De kans dat slechterikken je weg kruisen, is mijns inziens groter dan dat een beschermengel op je schouder plaatsneemt.

Toch… de gedachte dat je in het nauwste straatje van je woonplaats een goeroe tegen het lijf loopt die je letterlijk op sleeptouw neemt en haarfijn uitlegt hoe je saxofoonspel nóg beter te maken… zo’n gedachte houdt mij al langer bezig. In een onbedachtzaam ogenblik sla ik de Jan Muldersgang in en de schaduw die ik aan het eind ervan bespeur, blijkt die van, laten we zeggen, Hans Dulfer te zijn (een ongelukkig voorbeeld, ik weet het, maar het is slechts een voorbeeld.)

In het steegje is het aardedonker en ik herken de grootmeester niet. Het lukt me niet hem ongemerkt te passeren, want hij houdt mij staande en stelt me vragen als: “Waar kun je in dit dorp een halve rookworst kopen? Of ondergoed en iTunes-kadobonnen?” Dat kan alleen bij de HEMA zijn, dat weet iedereen. “En waar koop je de perfecte solo?” Hier stamel ik wat, waarop de meester zich voorstelt en me meeneemt voor de ultieme les in jazzimprovisaties.

Het bovenstaande is geen nieuw verhaal. Zoiets valt al te lezen bij Diogenes Laërtius, die in zijn geschiedwerk over filosofen (boek 2, hfdst. 6, par. 48) vertelt over Xenofon, zelf ‘een buitengewoon knappe verschijning’ (εὐειδέστατος εἰς ὑπερβόλην), die filosoof Sokrates tegen het lijf liep in een nauwe steeg. In de duisternis zag hij niet hoe lelijk de man was, maar voelde wel hoe deze hem met zijn wandelstok de doorgang versperde. Op de vraag waar producten van het land gekocht konden worden, wist hij natuurlijk het antwoord: op de markt. “En waar leer je een goed mens te zijn?” Nee, dat wist hij niet en volgde voortaan lessen bij de filosoof.


Sokrates (Museo Capitolino, Rome) en Xenofon (Nationaal Museum, Alexandrië).

Bij gebrek aan beter heb ik regelmatig zoektochten op YouTube gehouden in de hoop het ultieme antwoord op mijn vraag te krijgen: hoe word ik een begenadigd tenorsaxofonist? Het hoeven geen uren lange clinics te zijn die mij verder helpen, ook een korte overdenking kan nuttig zijn. Bob Mintzer benadrukt (bijv. hier en hier) het voldoen aan minimale eisen als het hebben van een goede toon, ademsteun, techniek (embouchure én vingers) en frasering.

Met Chris Potter wordt het een lange zit, waarin je hem voornamelijk wonderschoon hoort spelen. Acht minuten van het college zijn al voorbij, voordat hij tot het ontvouwen van theorieën komt. Met zijn woorden komt hij feitelijk niet verder dan de dooddoener dat het bij jazz spelen erom gaat je gedachten te ordenen en hiermee expressief te zijn.

Heleboel instructiefilmpjes reiken niet verder dan een tip of een truc. Het onder de knie krijgen (als saxofonist moet je dit niet letterlijk nemen) van altissimo’s is een gewild thema. Voor een buitenstaander zal dit soort instructie als niet aan te horen gepiep en geknor klinken. Riffje van Sirvalorsax: “Zero, one, zero, one, two, one, one, two, one, two, split, two – piece of cake, man!” Duidelijk.        

De Sax Boutique (niet de Sex Shop, grapje van Derek Brown, zie hieronder) in Moskou nodigt regelmatig gevestigd en aanstormend talent uit voor een masterclass. Je hoort hoe je helden voor een bescheiden publiek zonder versterking écht goed kunnen spelen. Als je geluk hebt, betrap je ze op een zinnige mededeling. De drie afleveringen die ik hier aanhaal, starten ergens middenin, maar het is de moeite waard de hele opname tot je door te laten dringen.

James Carter speelt krijsend op zijn Lawtonmondstuk (nr. 11 *BB!!!) en haalt een geintje uit met de presentator om je te leren niet afhankelijk te zijn van bladmuziek. “You have to come back to human qualities.”


James Carter in Mariachi Sax Boutique (31 januari 2012).

Derek Brown heeft een niche ontdekt in de jazz en speelt niet anders dan beatboxing op zijn sax. Met de ringen op zijn duimen geeft hij bovendien zijn sax een pak slaag, waar mijn reparateur likkebaardend naar uit zal kijken. Hij doet denken aan de straatgitarist met mondharmonica om de hals en trommel op de rug met een touwtje vast aan zijn voet. Zijn optreden is hoogst vermakelijk en bereikt een toppunt, wanneer hij laat weten jaloers te zijn op instrumenten die harmoniërend zijn. Dat is waar, op de sax speel je maar één noot tegelijk.


Derek Brown in Mariachi Sax Boutique (9 maart 2017).

Bill Evans (1958), niet de pianist, trad op 22-jarige leeftijd toe tot de band van Miles Davis. Mijn verwijzing naar zijn masterclass wil niet zeggen dat ik gecharmeerd van zijn stijl van spelen ben, verre van dat. Het zijn zijn uitspraken die mij wat doen. Een selectie:
– learn to play bebop
– who can play bebop, can play anything
– play frases that make sense
– say something
– sax is supposed to be fun, not work
– you don’t want to work too hard on your mouthpiece


Bill Evans in Mariachi Sax Boutique (juli 2012).

Bijzonder productief met instructiefilmpjes (betaald en niet betaald) is Bob Reynolds (sinds een tijdje grammy award winnaar als bandlid van Snarky Puppy). Ze zijn alom tegenwoordig op YT. De lezer kan ze zelf nazoeken. Ik laat het bij een fraai staaltje solo-spel…


Bob Reynolds speelt in zijn home studio ‘How High The Moon’.

En hoe zit het met die goeroe? Nog niet ontmoet.