Giant Steps

Eens feliciteerde ik een leerlinge van mij met haar verjaardag. Had zij leuke cadeau’s gekregen, was mijn vraag. Ja zeker: haar oom had haar een nummer uit de iTunes Store geschonken. Dat noem ik nog eens een originele attentie voor een tiener. Mocht ik weten welke? Mijn belangstelling (het ging om muziek) was beslist oprecht. “Giant Steps, maar ik heb het nog niet beluisterd…”

Het is een bekend feit dat John Coltrane nooit zijn meesterstuk ‘Giant Steps’ live heeft uitgevoerd. Het stuk is domweg beremoeilijk. Niet zozeer voor Coltrane zelf – de componist moet toch in staat zijn zijn eigen stukken naar behoren uit te voeren? Nee, het waren met name zijn begeleiders, vooral de pianisten (toch niet de kleinsten als Tommy Flanagan en Cedar Walton), die er moeite mee hadden. De akkoorden spelen, dat gaat wel, maar daarover soleren, dat blijkt een helse toer.

Ik kan mij goed mijn eerste poging herinneren ‘Giant Steps’ te spelen. Het thema ging wel (eenvoudig notenbeeld, niet waar?), maar de solo was een ramp. Het akkoordenschema bood geen enkel houvast, althans toen niet. B6 D7 | G6 Bb7 | Eb6 | Am9 D7 … waar gaat dat naartoe? Groot was mijn bewondering voor de saxofonisten die het stuk ogenschijnlijk foutloos konden spelen.

Een dag geleden heb ik GS een herkansing gegeven, maar niet eerder dan na enige voorstudie. Een paar vaststellingen…

  • GS is een voorbeeld van Coltrane’s stijl om akkoorden gelaagd te spelen, zijn ‘sheets of sound‘. In de praktijk wil dat zeggen dat hij akkoord op akkoord stapelt en dat snel. In totaal moet de muzikant zich iedere chorus door 26 akkoorden heen worstelen.
  • Het stuk is een typisch voorbeeld van ‘Coltrane changes‘, een door hem in ‘Countdown’ geïntroduceerde progressie van akkoorden. In een standaard II-V-I progressie, voegt hij tussen het eerste (II) en tweede (V) akkoord een eigen keur aan akkoorden (met de sprongen kleine secunde, grote kwart, kleine terts, grote kwart, kleine terts). Vier maten Cm7 | F7 | Bb | % | worden dan Cm7 Db7 | Gb A7 | D F7 | Bb |. Vanaf de Db7 is dat driemaal een V-I progressie.
  • Binnen de kwintencirkel (zie hieronder) zijn er vier combinaties te maken met drie tonen (‘major thirds‘) die steeds precies een volle terts van elkaar af liggen: C-E-G#, G-B-Eb, D-F#-Bb enz.
    kwintencirkel-met-volle-kwarten
    In GS zie je in de eerste helft van het schema, in de maten 1-3 en 5-7 om precies te zijn, de dalende progressie B-G-Eb en G-Eb-B; in de maten 4 en 8 staan II-V akkoorden die aan de I voorafgaan in de steeds daarop volgende maat.
  • De tweede helft van GS, gerekend vanaf de achtste maat, is een snelle opeenvolging van II-V-I, om de twee maten wel te verstaan. De II’s (maten 8, 10, 12, 14 en 16) staan op een afstand van een volle terts van elkaar (als ‘major thirds’, zie boven): F – A – C# – F – C# (alle dominant mineur).

Nu schiet het op! Vanavond pak ik m’n sax weer op en ben voornemens GS als met hernieuwde kennis aan te pakken. Het grootste struikelblok bij het soleren zullen de eerste zeven maten zijn; vanaf de achtste maat zijn het snelle II-V-I patronen. De toonladders die steeds terugkeren, zijn te reduceren tot die van B, G en Eb. Voor de duidelijkheid gaat dat om de vier maten als volgt:
B | G | Eb | G
G | Eb | B | G
Eb | G | G | B
B | Eb | Eb | B

Zo dat is eruit. Giant Steps, een waardige titel voor deze parel. Ik laat in het midden of het nummer zijn naam dankt aan de sprongen die de akkoorden in dit stuk maken, of aan het grote lijden dat John Coltrane zojuist achter de rug heeft gelaten na de zoveelste periode van heroïneverslaving en drankmisbruik. Miles Davis had in ieder geval genoeg van hem en Trane uit zijn band gezet in 1959 (niet voor de eerste keer overigens).

(Om de onderstaande nummers te kunnen beluisteren moet je Spotify op je device hebben.)

Hieronder heb je de moederopnames aller opnames, Giant Steps uit 1960. Bezetting: John Coltrane (ts), Tommy Flanagan (p), Paul Chambers (b), Art Taylor (dr).

Toots Thielemans speelt hem met tempowisselingen op Images (1975), alleen door piano begeleid (Joanne Brackeen):

Pat Metheny (met zijn trio – Larry Grenadier op bas en Bill Stewart op drums) speelt het op zijn album Trio 99-00 (2000):

Off the record:
De nog jonge Branford Marsalis speelt het stuk op het Newport Jazz Festival van 1987 en dat gaat niet helemaal goed.
Chris Potter speelt het solo tijdens een workshop (Stanford Univ., 7 augustus 2013?).
Bob Mintzer en Michael Brecker vechten het met elkaar uit op Twin Tenors (1994).

Workout met Hank

Het was in mijn studententijd not-done om andere tenor saxofonisten te adoreren dan John Coltrane. Het leek wel of iedereen Blue Trane speelde. Het scheelde niet veel of een beetje saxofonist had een metalen Otto Link 5* met riet van tenminste sterkte 4 (zwaar op licht), alleen maar om Trane’s sound te benaderen.

Wel eens naar Coltrane’s solo geluisterd op So What (Miles Davis, Kind of Blue, 1959)? De noten zijn te haastig gespeeld, de lage komen er halfjes uit, altissimo’s worden niet voor de 100 % gehaald. Een paar chorussen verder komt Cannonball Adderley met zijn solo: hij vermorzelt Trane. Ik weet niet wat het is – anderen mogen het met mij oneens zijn – , maar hoe vaker ik naar Coltrane luister, hoe slechter ik hem vind.

Er was in de jaren dat Coltrane furore maakte (eind ’50 – begin ’60) één persoon die daar bijzonder veel last van had: Hank Mobley (1930-1986). Ik heb een zwak voor talenten die ondanks zwakke gezondheid zich opwerken tot fabelachtig niveau. Dat geldt voor Mobley, volgens zeggen vroeg begonnen op een sax die hij van een oom kreeg om hem uit zijn verveling te helpen.

Luister naar This I Dig of You (je moet Spotify op je device hebben) en je zult daarna begrijpen dat Mobley Coltrane ver achter zich laat (en ondergewaardeerd werd):

Coltrane maakte faam en Hank kon het schudden. Hij mocht eens toetreden tot de band van Miles Davis, maar pas nadat Coltrane daaruit was gestapt. Dat was in 1961 en Mobley’s sound was op z’n best eind jaren ’50.

Een van de eerste cd’s die ik kocht was zijn Soul Station (1960) en ik vond het op dat moment ‘gewoontjes’. Ik was verpest door de Coltrane-dictatuur. Pas toen ik zelf tenor sax ging spelen en zijn solo’s probeerde na te spelen, werd mij duidelijk waarom hij anders, beter was dan Trane: zijn vermogen om melodische solo’s te spelen die perfect de harmonie van een song weerspiegelen, alles zonder flauw of saai te worden.

Voorzover mij bekend heeft Mobley zich nooit laten verleiden om op een metalen mondstuk te spelen, maar ik kan mij vergissen. Verder heb ik hem nooit op altissimo’s kunnen betrappen: ik heb hem één keer de hoge G horen spelen.

Mijn favoriete albums:
Hank Mobley Quartet (1955)
Hank Mobley Sextet (1956)
Peckin’ Time (1958)
Soul Station (1960)
Workout (1961)
No Room For Squares (1963)

Een volledige discografie is hier te vinden.

Nog iets… ik heb mij alsnog de vinyl versie van Soul Station aangeschaft…