Sinterkerstklaasmis

In het tehuis waar mijn moeder haar laatste levensdagen doorbracht, was de kerstboom, voor een prikkie aangeschaft bij de jeugdboerderij om de hoek, vrolijk opgetuigd. De lichtjes brandden en een enkele bewoner hief spontaan om de vijf minuten een liedje aan. Het was de week voor kerst (die zou in 2013 midden in de week vallen, op woensdag en donderdag) en tijd voor haar gebruikelijke gang naar de kapsalon. Lift in, lift uit, hal door en je was er al. Er klonk beneden zachtjes kerstmuziek uit de luidsprekers.


Jazz Christmas Party (Warner Bros., 1997), compilatie moderne interpretaties van bekende Christmas songs uit het Engelstalige repertoire.

De dag ervoor had ik een afspraak bij de kapsalon voor moeder kunnen regelen. In het pand had zich sinds kort een tweetal kapsters gevestigd en een nieuwe zaak geopend. Bruisend bloed tussen het oude spul. Ze waren piepjong, wat de verkeerde inschatting van hun werkplek weer goed verklaarde. Ik vond het erg gewaagd en dat mocht zeker gezegd worden van de kleding die een van de meiden droeg. Ik dacht tegen een stootje te kunnen, maar ik had nog nooit zo’n diep decolleté gezien. Je hebt werkkleding en je hebt werkkleding, maar hiervan werd ik, man, knap onrustig.

Op de afdeling van moeder woonde ook Henk, de enige man onder de cliënten. Henk ambieerde in een ver verleden, dat hij zich niet zo goed meer kon herinneren, een professionele carrière als bokser. Dat was hem nog af te zien, want als hij je groette, wuifde hij niet. Nee, hij balde zijn vuisten en maakte er boksende bewegingen mee. Het was mij ogenblikkelijk duidelijk dat dit baasje, tenzij met grote zorg begeleid, binnenkort de bel van de laatste ronde zou horen.

In de huiskamer, waar Henk uit het raam tuurde en op sneeuw zat te wachten, konden ze trouwens niet genoeg krijgen van deze gouwe ouwe…

↑ Jingle Bells in de uitvoering van the Count Basie Orchestra (A Very Swingin’ Basie Christmas, 2015; dir. Scotty Barnhart, arr. Sammy Nestico); op YT vind je een promotiefilmpje van het orkest.

Mijn moeder kon in ieder geval pico bello het weekeinde ingaan en met keurig kapsel de aanstaande kerstdagen tegemoetzien. Op haar afdeling waren de begeleiders vol lof over het door de kapster geleverde werk en besloten om ook Henk vóór het weekeinde nog een betere hair look te gunnen. ‘Weten jullie dat wel zeker?’ – ik hoor mijzelf nog de vraag stellen. Verder wilde ik mij er niet mee bemoeien.

Eerste kerstdag bracht ik moeder weer een bezoekje. Henk zag ik nergens meer. Hij was in het weekeinde levenloos in zijn bed aangetroffen.

Ik ga het hebben over jazz in december en wil meteen één ding vaststellen: het Sinterklaasfeest is muzikaal gezien een ramp voor de oren en moet het in dit opzicht afleggen tegen het kerstfeest. Wat een erbarmelijke rijmpjes! Ik durf ze hier niet eens op te schrijven: ‘Strooi maar wat lekkers in een of andere hoek.’ Voor één keer ben ik het eens met Toon Hermans: Snieklaas, een vervelend personage… met z’n schimmel.

Dit ongemak wordt ruimschoots goedgemaakt door de kerstdagen, want daar wordt vanuit iedere hoek met lekkers gestrooid. Dat uit de jazzhoek mag er wezen. AABA of ABAB schema’s en daarover lekker soleren, Christmas songs winnen het van Sinterklaasliedjes. Aan de ouderdom van de traditie kan het niet liggen, want ‘Jingle Bells’, ook geheten ‘One Horse Open Sleigh’, stamt uit 1857. Het was bedoeld als hooilied op Allerheiligen (Thanksgiving), maar kreeg met de kerst meteen een swingend onthaal. Dat kan van geen Sinterklaaslied gezegd worden.

Laat ik mij beperken tot de jazzy Christmas songs. Er circuleren genoeg top-tien-lijsten met kerstnummers in allerlei genres. Op bijv. Ranker staat een opsomming van ‘Best Christmas Songs of All Time’. Van mij alleen een selectie, jazz for Christ

We beginnen met de meest onnozele. Ter voorkoming van gehoorschade (of erger) beperk ik de nummers tot tracks van één minuut.

Doris Day is niet de zangeres op wie ik zit te wachten. Haar ‘Que sera sera’ (met die onmogelijke vraag: When I was just a little girl, I asked my mother, what will I be? Will I be pretty, will I be rich?) schalt heel de tijd door de film ‘The Man Who Knew Too Much’ (Alfred Hitchcock, 1957) en vergalt bij mij althans het kijkgenot. Ze kán het wel, getuige haar interpretatie van ‘Blue Skies‘ (Irving Berlin, 1926). Ik moet bij de les blijven, we laten een kerstliedje van haar horen…

↑ ‘Ol’ Saint Nicholas’ door Doris Day (Columbia Records, 1949; ‘with Male quartet’)

Zóóóó’n banale tekst zóóóó mooi zingen is niet een ieder gegeven:

So, Ol’ Saint Nicholas
Here’s to you
A toast for bringin’ goodies to the young and
Ol’ Saint Nicholas hip-hooray
Have a merry Christmas day!

Ik las trouwens dat ook Bob Dylan zich op kerstrepertoire heeft gestort met zijn Christmas in the Heart (2009). Ga het vooral beluisteren, ik doe het niet. De lyriek op dit album heeft misschien bijgedragen aan de toekenning van de Nobel Prijs voor literatuur. Hij moet in zeven jaar flink progressie hebben gemaakt.

Dan nog liever Dean Martin, die naast mooi zingen ook goed kon drinken. Zijn ‘Christmas Blues’, veelbelovende titel, was de producent vergeten op het oorspronkelijke album te plaatsen en werd als bonus alsnog gebracht op de editie van 1989. Dat was een paar whiskey’s verder.

↑ ‘Christmas Blues’ door Dean Martin (A Winter Romance, 1959/1989).

Gelukkig hebben we Charlie Parker, met een witte raaf weliswaar. Voorzover bekend heeft the Bird zich verder nooit gewaagd aan sfeermuziek bij de glühwein en idyllisch winters landschap.

↑ ‘White Christmas’ (25 dec. 1948, live vanuit de Royal Roost NY, met o.a. Kenny Dorham op trompet en Max Roach op slagwerk).

Het wordt steeds beter. Ella Fitzgerald’s ‘Good Morning Blues’ is een bewerking van een song van bluesgitarist Lead Belly (1885-1949). Het plezier van de musici in het begeleidende orkest spat ervan af, terwijl Ella afsteekt met een vrolijke blues na een verloren relatie:

Oh Santa Claus listen to my plea,
oh Santa Claus listen to my plea,
don’t send me nothing for Christmas
but my baby back to me.

De melodie is in 12/8 getoonzet en de riffs zijn in prettig scheve akkoorden geschreven. Het is niet eens Count Basie die het orkest leidt.

↑ ‘Good Morning Blues’ door Ella Fitzgerald (Ella Wishes You A Swinging Christmas, 1960); dirigent en arrangeur is Frank DeVol.

Baardje onder de kin en muts op! Dexter zou zo voor Santa Claus kunnen doorgaan. De lichaamsbouw had hij er zeker voor. Zijn ‘Christmas Song’ staat een beetje verdwaald op het album The Panther tussen nummers als ‘Body & Soul’ en ‘The Blues Walk’, zeker als je je bedenkt dat de opnamen zijn gemaakt op 7 juli 1970. We genieten van zijn krachtige spel en afterbeat.

↑ The Christmas Song door Dexter Gordon (The Panther, 1970, met Tommy Flanagan op piano).

Wynton Marsalis (ja, ook hij!) heeft een hele cd met Christmas songs volgeblazen: Christmas Jazz Jam (12 nummers, 2009). Daar staan de belangrijkste standards op! Eerder heeft hij Crescent City (1989) uitgebracht. Allemaal prachtige tonen, ook de hoge, zoals we die van Wynton gewend zijn. Timing? Ronduit geweldig.

(Om het volgende nummer te kunnen beluisteren moet je Spotify op je device hebben.)

Voor mij de absolute top: Joshua Redman die een heerlijk potje, inclusief verhogingen, ‘Santa Claus Is Coming to Town’ wegblaast. Op spotify is het nummer geblokkeerd. De hoes, voor wie zich het album wil aanschaffen, is bovenaan in dit artikel te zien. Op YT is de opname zonder bewegende beelden te beluisteren; ik geef die hier bij wijze van uitzondering integraal…

↑ ‘Santa Claus Is Coming to Town’ door Brad Mehldau en Joshua Redman (Warner Bros. Jazz Christmas Party, 1997; compositie van Coots & Gillespie).

Het moge duidelijk zijn, dit is mijn favoriet en maakt deel uit van mijn repertoire. Ik speel het graag als afsluiting van mijn dagelijkse oefeningen. Zomer, winter, herfst, lente – het maakt mij niet uit. Fijne kerstdagen!

Dit was ik bijna vergeten. Er bestaan wél uitstekende jazzinterpretaties van Sinterklaasliedjes. Het trio Braat, Van der Krabben en De Wit brachten in 2014 hun cd Swingterklaas uit en promoten deze op televisie:


↑ ‘Hij komt! Hij komt!’ door Braat, Van der Krabben & De Wit bij de DWDD op 5 december 2014.

Robert Bosscher, gelauwerd pianist uit Nederland, maar tegenwoordig New York based, was hen in 2012 voor! Hij heeft zich bijv. op ‘Hoor, wie klopt daar, kinderen?’ gestort. Het nummer is opgenomen in New Jersey met zijn all-star New York Quartet. Ik weet het niet zeker, maar ik denk dat ik daar Mark Turner (geb. 1965) op tenor sax hoor spelen.
Addendum: op navraag heeft de componist zelf (zie comments bij YT-filmpje) mij verteld dat zijn vriend Matz hier op de sax speelt.

(Om het volgende nummer te kunnen beluisteren moet je Spotify op je device hebben.)

Ik blijf het toch maar bij ‘fijne kerstdagen’ houden.

Paniek in de tropen

Het waren prachtige klanken, simpel, maar intrigerend. Als een tovenaarsleerling werd ik ernaartoe gelokt. Het was ook niet niks: een Yogyakartaans gamelan was in de pendopo, de overkapte ontmoetingsplaats van de kostschool waar mijn moeder werkte en wij over een woning op het schoolterrein beschikten, neergestreken en als de avond viel, zou er een voorstelling met wayang kulit worden gegeven.


↑ Scène met wayang kulit, © Karma Images.

Het werd een van mijn eerste levensherinneringen. Had ik toen al (ik moet nog geen drie jaar oud zijn geweest) kunnen tellen, ik had de vijf noten uit de pentatonische toonladder kunnen destilleren. Een gamelanorkest, dat was nog eens iets anders dan de piano in de huiskamer. Het hele dorp was voor het avondlijk festijn erop uitgetrokken. Je kon de ketuk (voorslager) al zich horen inspelen.

Het werd voor mijn ouders een angstige avond, dat wel. Onze baboe had dit jochie na het avondeten en bij invallende duisternis naar de voorstelling gebracht. Een klein uur mocht ik van huis. Ik zag de godenfamilie, allen schaduwen tegen een doek, voorbijvliegen en hoorde de trage ritmes (de Balinese gamelan is sneller) in repeterende motieven. Dit was niet zomaar muziek, dit waren magische klanken die mythische verhalen uit een ver verleden waardig begeleidden.

↑ Gamelan Koketan (Balinees), twee xylofoons en een ketuk; de percussionisten spelen in hoketus).

Aan dit weldadige moment kwam een vroeg einde, want… kinderbedtijd. Dat was maar goed ook: de rite bepaalde dat wie na middernacht nog naar de verhalen van de dalang (één man bediende, zonder te rusten, urenlang de poppen en vertelde erbij) luisterde en zijn spel bezag, tot in de vroege uren de voorstelling moest uitzitten. Ik werd m’n bedje ingestuurd en kreeg een nachtkusje. Na een uurtje of twee gingen ook mijn ouders onder de klamboe.

Het zat mijn moeder blijkbaar niet helemaal lekker (of het waren de verre klanken die haar hebben wakker gehouden), want zij kwam later die avond voor de zekerheid mijn bedje controleren om te constateren… dat het er leeg bij stond. Paniek in de tropen. De baboe was ervandoor gegaan en mijn vader draaide zich, laconiek als hij was, in zijn bed nog een keertje om.

Kort onderzoek leerde zijn vrouw dat haar kind onbegeleid later op de avond bij de pendopo was gesignaleerd. Daar vond zij mij niet onder het publiek, maar tussen de orkestleden en achter de rug van de verhalenverteller. Mijn oren stroomden vol vijfklanken. Mijn moeder kon driftig zijn, maar dat had op dat moment geen zin. Het was inmiddels na twaalven en ik zat de hele rit uit. Er werd later verteld dat ik drie dagen achtereen heb geslapen, wat voor mijn moeder een volgende reden tot ongerustheid was.

OK, dat is verleden tijd. Gamelanmuziek heeft in de jaren ’50-’60 grote indruk gemaakt op west-europese muziektheoretici en componisten. Ik weet dat Philip Glass tijdens zijn twee jaren van studie bij Nadia Boulanger in Parijs zich heeft gestort op de Indiase sitarspeler en componist Ravi Shankar. Zijn vroege werk ademt echter de sfeer van oosterse pentatonische muziek en het zou mij niet verbazen, als ook de gamelanmuziek ooit Glass’ oren in een vroeg stadium heeft bereikt. In ieder geval getuigden ook de opvoeringen van zijn vijf uur durende opera Einstein on the Beach (1976, i.s.m. regisseur Robert Wilson en choreografe Lucinda Childs) van de Javaanse praktijk het publiek toe te staan naar believen te komen en gaan.

Hier volgen twee voorbeelden van vroeger werk van Philip Glass en misschien horen we er meer gamelan dan Ravi Shankar in.

Music in Contrary Motion (Philip Glass, 1969; bedoeld voor elektronisch orgel, linker- en rechterhand bewegen zich in tegengestelde richting).

Music in Similar Motion (Philip Glass, 1969; open score, d.w.z. voor allerlei soorten bezettingen bedoeld).

Dit is allemaal voorspel op wat ik eigenlijk kwijt wil. Kort geleden kwam ik op een van mijn luistertochten weer eens tenorsaxofonist Chris Potter tegen. Een van zijn laatste projecten omvat Aziza, een collectie muziekstukken waarin hij samenspeelt met Dave Holland (b), Lionel Loueke (g) en Eric Harland (dr). Dit jaar is hun gelijknamige eersteling verschenen.

(Om het volgende nummer te kunnen beluisteren moet je Spotify op je device hebben.)

‘Blue Sufi’, we horen het onmiddellijk: pentatonische klanken. Nu vind ik Chris Potter een der besten op tenorsax. Zijn spel is onberispelijk, maar soms neigen zijn kunsten op het instrument naar een circusact. Op zijn niveau geldt nog iets: je bent innovatief. En daar haak ik een beetje af en wel om het volgende.

Had niet Joshua Redman in 2007 zijn album Back East uitgebracht? Daarop staat als negende nummer ‘Indonesia’ en het moet gezegd: Joshua heeft zijn huiswerk gedaan. Een kleine vijf minuten laat hij naar mijn smaak gamelanmuziek horen. In 2007 was hij daarmee wel Chris Potter vooruit.

↑ Vergelijk Joshua Redmans ‘Indonesia’ (Back East, 2007) met Gamelan Koketan (motiefje na 0:10 m., eerste excerpt helemaal bovenaan dit artikel)…

Het is laat geworden. Ik ga slapen.

De smaak van Joop

Liefde gaat door de maag. Ik kan het beamen. Bij mij was de liefde eens smoor, maar dan wel héééélemaal smoor, doch… onbeantwoord. Nu kon mijn oma geweldig koken, the indonesian way wel te verstaan, en zíj was het die mij eens vertelde hoe mijn opa de hare werd. Maak een exquisiet gerecht en geniet er met z’n tweetjes van. Een paar dagen wachten, eventueel nog eens op een sorbetje trakteren en hartelief is om.

Zo gemakkelijk gaat het natuurlijk niet. Mijn pogingen om mijn grote liefde te winnen vergden meer tijd en mankracht. Oma’s recept kwam echter weer bovendrijven, toen ik Joop een steak tartare zag bereiden en dacht: voor wie doet hij het? Zoveel toewijding voor een hoopje koud vlees. Met Joop bedoel ik Joop Braakhekke, onlangs vertrokken uit zijn aardse Garage naar de eeuwige remise (donderdag 8 december 2016, vlak na lunchtijd).

Ik moet wel eerbiedig blijven en wil Joop herdenken aan de hand van zijn liefde voor de muziek. Zijn moeder (‘Loek’) was zangeres, een coloratuursopraan volgens Joop (Leeuwarder Courant 27-8-2011). Van haar kreeg hij de oubollige verhalen mee uit de operettes waarin zij optrad, maar die ‘kabbelende beekjes en omgevallen bomen’ (HP/De Tijd 16-1-2014) konden hem niet erg raken. Zij zal hem niet richting Beefheart (Lick My Decalls Off, Baby) of Mothers of Invention (Uncle Meat) hebben opgestuwd. Het is de jazz geworden.

‘Ik ben een gulzig dier. Ik heb alle soorten muziek wel eens gehoord’, zei hij (eveneens HP/De Tijd 16-1-2014). Voor hem moest de gezongen jazz wel getuigen van een portie Weltschmerz, de huidige muziek mist diepgang. Diana Krall, Norah Jones – technisch indrukwekkend, maar zij ontroeren niet. Dan toch liever Tony Bennett, Streisand of Aznavour… Eh, Joop, la Barbara is op het randje en Charles is toch geen jazzzanger?

Toch kan goede smaak Joop niet worden ontzegd, waar het de muziek betreft. Tijdens een lezing op 15 november 2012 in Kasteel de Wittenburg laat hij zich begeleiden door pianist Michiel Borstlap. Alles in het kader van de Fête du Beaujolais, allicht. Zou hij Borstlaps funky kant kennen? (Zoek niets achter de titel.)

(Om de onderstaande nummers te beluisteren moet je Spotify op je device hebben.)

Getuige Joops FB-pagina ging zijn muzikale voorkeur uit naar Co de Kloet, Rita Reys, Soesja Citroen en Mike del Ferro. Rita en Soesja zijn geen onbekenden. Mike del Ferro studeerde in 1990 cum laude af aan het Amsterdams conservatorium en volgde masterclasses bij trombonist Bob Brookmeyer in Keulen. En voor wie het niet weet – Co de Kloet: muziekproducent, componist, musicus en radiopresentator, maar vooral allereerste Nederlandse journalist die Frank Zappa in 1971 interviewde. Zou Joop dan toch bekend zijn met Uncle Meat?

Joop verkocht, naar eigen zeggen, sfeer, geen biefstukken. Nou, die sfeer zit er wel in, als je mag afgaan op zijn ontmoeting met André van Duin, die de wijn interessanter vindt dan het aanstaande gerecht, made by chef himself.



↑ Spruitjes koken met Joop.

Ik kan, om een staart te geven aan dit artikel, het niet laten zijn recept voor steak tartare hier te schetsen (voor de details moet je de YT-video bekijken):
bavette (ook wel ‘flanklap’), door de handmachine gemalen
eidooier
sjalotje
ansjovisje
kappertjes
Dijon mosterd
worcester sauce
tomatenketchup
tabasco
mayonaise (voor wie een zachtere smaak wil)

En alles fijn, maar dan ook héél fijn prakken, opdienen met een bak frieten en dan gaat het eruit zien als hieronder:


↑ Halve steak tartare met frieten in ‘Le Garage’ à € 37,-.

Muziekje erbij? Ongelogen, dit stukje bestaat echt en is smaakvolle hard bop: ‘Pepper Steak’ door Art Pepper (Early Art, 1976)!

Laat ik ervan uitgaan dat dit mijn laatste artikel is in een kookrubriek, want ik wil het wel bij jazz houden…